Einde inhoudsopgave
Toegang tot het recht bij massaschade (R&P nr. 150) 2007/2.2.2
2.2.2 Voorbeelden
mr. I.N. Tzankova, datum 30-03-2007
- Datum
30-03-2007
- Auteur
mr. I.N. Tzankova
- JCDI
JCDI:ADS596085:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Cappelletti&Garth 1977-1978, p. 199. Voor recente informatie over de overheidsuitgaven van verschillende Europese landen `on courts and legal aid' zie het CEPEJ-rapport 2002, p. 19-27. Het geeft de resultaten weer van een onderzoek onder 40 lidstaten dat werd geïnitieerd door de Raad van Europa. Voor een recent overzicht van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand van Zweden, Finland, Duitsland en het Engeland zie Barendracht & Van Zeeland 2003.
Schuyt, Groenendijk & Sloot 1976.
Huls 2004, p. 11-26 (p. 11).
Blankenburg 2000, p. 27, Hodges 2001a, p. 332-4, Michalik 1999, p. 148-150. Een structurele fout van het Engelse systeem was dat het type, de kwaliteit en de kosten van de juridische diensten, werden bepaald door de aanbieders daarvan: Hodges 2001a, p. 334-5.
Hodges 2001a, p. 333-4.
Tzankova & Weterings 2003, p. 30, Barendrecht & Van Zeeland 2003, p. 35-46, Hodges 2001a, p. 332-9, P. Michalik 1999, p. 145 e.v. en 159 e.v.
Kritisch over dit `supplier-led system' zijn onder andere Hodges 2001a, p. 334, Blankenburg 1999, Lord Woolf 1995, Harlow & Rawlings 1992, p. 296, Abel 1986, p. 379.
Cape & Moorhead 2005. Zie ook Cape & Moorhead 2005a, p. 1373.
Hodges 2001a, p. 333 noemt ook andere factoren die mogelijk 'the attraction of lawyers to legal aid from the 1980s' verklaren, zoals de instorting van de onroerend goed markt, waardoor veel advocaten van specialisme moesten veranderen.
Van Bennekom & Spigt 1983, p. 228. Huls 1984 bespreekt de organisatorische beslommeringen in het kader de bezuinigingsdiscussies. Huls 2003, p. 9 is van mening dat de bureaus voor rechtshulp zijn gesneuveld vooral `ten gevolge van een fatale combinatie van zwak management en toezicht'.
Blankenburg 1999.
Meer over deze operatie en bijhorende problematiek in Houwerzijl 2003.
Nederland, Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk hebben nieuwe systemen van gefinancierde rechtshulp geïntroduceerd tussen 1972 en 1974.1 In 1983 kreeg het recht op rechtsbijstand zelfs plaats in de Nederlandse Grondwet (art. 18 lid 2). In Nederland is in de jaren zeventig van de vorige eeuw een tweetal publicaties verschenen waarin de aandacht gevestigd werd op het belang van gefinancierde rechtshulp. Het betreft de rechtssociologische studie van Schuyt, Groenendijk en Sloot2 en het zogenaamde `zwarte nummer' van het juridische studentenblad Ars Aequi: 'De balie, een leemte in de rechtshulp'. De eerste onderscheidt en beschrijft vier perioden, gelegen tussen 1890-1970, waarin de aandacht voor de toegang tot het recht voor gewone burgers extra in de belangstelling stond. De laatste periode wordt afgesloten met het zwarte Ars Aequi nummer. Daarin wordt primair kritiek geuit op de dienstverlening door de advocatuur. De veronderstelling die daaraan ten grondslag lag, was kennelijk dat toegang tot het recht toegang tot 'advocatuur' was. Vanaf de jaren zeventig is in een hoog tempo een voorziening opgebouwd die beoogde in de geconstateerde leemte te voorzien. Door de overheid werden bureaus voor rechtshulp gefinancierd die laagdrempelige hulp boden in de vorm van spreekuren op een beperkt aantal rechtsterreinen, terwijl in diezelfde tijd ook de sociale advocatuur tot bloei kwam. Daar kwam bij dat studenten rechtswinkels oprichten die een laagdrempelige vorm van rechtshulp aanboden.3
De maatregelen die in Engeland op het terrein van de gefinancierde rechtshulp werden getroffen waren zo omvangrijk en daardoor zo succesvol dat de loevoegingspraktijk' voor een substantieel deel van het inkomen van veel (letselschade)advocaten zorgde.4 Uiteindelijk is het systeem ten onder gegaan aan het eigen succes. Het werd op den duur zo kostbaar dat het instandhouden daarvan niet langer mogelijk was. Zo was het percentage zaken dat bijvoorbeeld in de periode 1980-91 en 19931994 via het systeem gefinancierd werd, verdrievoudigd. In de periode 1990-1994 waren de overheidsuitgaven voor gefinancierde rechtshulp met 55% gestegen, terwijl er geen verandering was in het GDP en er een stijging van de totale overheidsuitgaven was van 'slechts' 12%.5 Een rigoureuze aanpassing van het Engelse systeem voor rechtshulp eind jaren negentig kon niet langer uitblijven.6 In een recente Engelse studie naar de factoren die hiertoe hebben geleid, werd echter geconcludeerd dat de `demand induced supply' die steeds als de grote boosdoener werd aangemerkt,7 niet de enige of zelfs maar de voornaamste kostenverhogende factor was.8 Andere factoren betroffen het toegenomen gebruik van technologie en nieuwe onderzoeksmethoden en de introductie van nieuwe materieelrechtelijke en procesrechtelijke concepten, waardoor rechtshelpers meer werk moesten verrichten om tegen de nieuwe onderzoeksmethoden of naar aanleiding van de nieuwe concepten verweer te voeren. Hoewel het onderzoek uitsluitend de gefinancierde rechtshulp op het terrein van het strafrecht betrof, zou naar mijn mening kunnen worden gesteld dat soortgelijke factoren ook van invloed zijn geweest voor het civiele recht. Het gebruik van nieuwe technologieën wint daar minder snel terrein en is minder vergaand dan in het strafrecht, maar ook het civiele recht wordt onder invloed van onder andere Europese en internationale ontwikkelingen steeds omvangrijker en complexer. Dit heeft onmiddellijk invloed op de omvang en inhoud van de werkzaamheden van rechtshulpverleners.9
Ook in Nederland is, weliswaar minder extreem, een soortgelijke tendens te bespeuren geweest. Al vanaf de jaren tachtig zijn in politieke- en beleidskringen bezuinigingsdiscussies ten aanzien van de gefinancierde rechtsbijstand gevoerd. Zij hielden mede verband met het feit dat het systeem van pro Deo-vergoedingen aan advocaten onbeheersbaar was: alle aanvragen voor rechtshulp van on- en minvermogende justitiabelen dienden te worden gehonoreerd. Het totaal viel daarom lastig te begroten.10 Uit statistische gegevens van midden jaren negentig bleek dat Nederland van alle onderzochte Europese landen op de tweede plaats eindigde qua overheidsuitgaven aan gefinancierde rechtshulp per hoofd van de bevolking. Engeland stond op nummer één.11 Hoe positief dit gegeven met het oog op de waarborging van de toegang tot het recht ook gewaardeerd kon worden, het was een teken: dit systeem zou op den duur onbetaalbaar worden. De problematiek wordt mogelijk voor een deel ondervangen met de nieuwe stelselherziening die de Bureaus voor Rechtshulp omgetoverd heeft in Juridische Loketten.12