Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/11.6.3
11.6.3 Standpunt van het HvJ EG (1989)
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS383429:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 21 september 1989, C-46/87 en C-227/88, r.o. 17-19 (Höchst AG). Dit standpunt is later herhaald in onder andere HvJ EG 17 oktober 1989, C-85/87, r.o. 28-30 (Dow Benelux NV). Wel moet iedere inbreuk door de autoriteiten in de sfeer van ‘private activities of any person, whether natural or legal’ een wettelijke grondslag hebben, gerechtvaardigd zijn om redenen bij de wet voorzien en moet bescherming geboden worden tegen willekeurige/onredelijke ingrepen.
GvEA EG 20 april 1999, T-305/94, T-306/94 enz., r.o. 417 en 420 (Limburgse Vinyl Maatschappij NV e.a.).
HvJ EU, perscommunicatie van 18 december 2014, nr. 180/14, advies 2-13.
Het HvJ EG stelde zich in 1989 op het standpunt dat het fundamentele recht op onschendbaarheid van de woning in het communautaire recht moet worden erkend als een beginsel dat gemeen is aan het recht van de lidstaten voor zover het de privéverblijfplaatsen van natuurlijke personen betreft, maar dat hetzelfde niet geldt voor ondernemingen. Art. 8 EVRM beoogt volgens het HvJ EG de ontwikkeling van de persoonlijke vrijheid van de mens te beschermen en deze bescherming mag niet worden uitgebreid tot bedrijfsterreinen.1
Volgens het Gerecht van Eerste Aanleg in 1999 had de ontwikkeling in de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot de toepasselijkheid van art. 8 lid 1 EVRM op rechtspersonen geen directe invloed op de uitspraken van het HvJ EG, omdat het recht op bescherming tegen inbreuken door de autoriteiten een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht zelf was.2
Het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), zoals dat met ingang van 1 december 2009 is gewijzigd door het Verdrag van Lissabon, bepaalt in art. 6 dat de EU toe zal treden tot het EVRM. Op 18 december 2014 heeft het HvJ EU, dat zich heeft gebogen over het ontwerpakkoord inzake de toetreding van de EU tot het EVRM, de Europese Commissie geadviseerd dat het ontwerpakkoord op een aantal punten onverenigbaar is met het recht van de EU.3 Onder andere zou volgens het ontwerpakkoord de EU worden gelijkgesteld met een staat, waartegen de intrinsieke aard van de EU zich volgens het HvJ EU verzet. Dit neemt mijns inziens niet weg dat het HvJ EU sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon wel gebonden is aan de uitleg die het EHRM aan het EVRM geeft, omdat de grondrechten zoals zij gewaarborgd worden door het EVRM op grond van art. 6 lid 3 VEU als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de EU.