Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.7.3
5.7.3 Conclusie – WHOA en waarderingsvragen
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS619275:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. A.M. Mennens en P.M. Veder, ‘Clementie en recht: het dwangakkoord buiten insolventie’, NTBR 2015/2, p. 17; G. te Winkel, ‘WCO II en de positie van de aandeelhouders’, in: Geschriften vanwege de vereniging corporate litigation 2015-2016; R.D. Vriesendorp in Preadvies van de Vereeniging Handelsrecht, 2014. Wet continuïteit ondernemingen (delen I en II), p. 106, voetnoot 96; N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, § 10.15.2.
Vgl. Consultatiereactie van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) van1 december 2017, p. 14; Consultatiereactie van INSOLAD van 24 november 2017, p. 18.
Art. 374 lid 1 sub c WHOA-voorstel bepaalt dat de bij een akkoord over te leggen informatie inzicht geeft in twee waarderingen:
“de te verwachten waarde van de activa en de activiteiten van de schulde naar indien het akkoord tot stand komt” (de reorganisatiewaarde); en
“de opbrengst die naar verwachting gerealiseerd kan worden bij een ver effening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement” (de liqui- datiewaarde vanuit juridisch perspectief).
Zoals toegelicht in paragraaf 3.3 ziet de liquidatiewaarde vanuit juridisch perspectief op de te realiseren waarde bij vereffening van het vermogen van de schuldenaar. Het vermogen, of ondernemingsvermogen, omvat alle goederen van de schuldenaar en de vereffening kan vanuit juridisch perspectief zowel inhouden dat de onderneming (al dan niet gedeeltelijk) wordt beëindigd en onderdelen piece meal worden verkocht (economische liquidatiewaarde) als dat de onderneming wordt verkocht (going concern basis).
De best interest of creditors test houdt onder het WHOA-voorstel in dat de opbrengst voor de vermogensverschaffer onder het akkoord wordt vergeleken met de opbrengst die voor de betreffende vermogensverschaffer naar verwachting gerealiseerd kan worden bij een vereffening van het vermogen van de schuldenaar in faillissement. Dit is in lijn met het gegevendat onder het WHOA-voorstel de financiële noodzakelijkheid van het akkoord kan worden getoetst (art. 381 lid 3 sub a jo. art. 370 lid 1 WHOA- voorstel). Deze concrete rechtsbescherming ontbrak in het WCO II-voorstel, althans leidde tot mogelijke rechtsonzekerheid.1
Voorts zijn de weigeringsgronden aangepast die – uitsluitend – een rol spelen wanneer niet alle klassen met het akkoord hebben ingestemd (art. 381 lid 4 WHOA-voorstel). In tegenstelling tot het WCO II-voorstel, bevat het WHOA-voorstel in art. 381 lid 4 homologatievoorwaarden die ertoe strekken dat tegenstemmende klassen vermogensverschaffers onder het pre- insolventieakkoord overeenkomstig hun rang aanspraak maken op de met het akkoord gerealiseerde waarde: de reorganisatiewaarde. Afgezien van de formulering van deze voorwaarden is het WHOA-voorstel daarmee evenwichtiger vormgegeven dan het WCO II-voorstel en biedt het de tegen een dwangakkoord stemmende vermogensverschaffers meer rechtsbescherming.
De onderdelen van art. 381 lid 4 van het WHOA-voorstel zijn wellicht wat omslachtig geformuleerd (“waarvoor zij in die klasse behoren te zijn ingedeeld”) en het is de vraag of dit niet eenvoudiger kan,2 maar de homologatievoorwaarden voorzien wel in remedies tegen de door mij in paragraaf 5.5 weergegeven gevolgen van het WCO II-voorstel. Deze wijzigingen zijn een verbetering ten opzichte van de in het WCO II-voorstel opgenomen voor-waarden.