Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.7.4
17.7.4 Identificeren
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494648:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In HR 2 oktober 1979, NJ 1980, 243 (m.nt. Mulder), oordeelt de raad dat degene die komt aflopen op een fout geparkeerde auto van welke de eigenaar inmiddels bij naam bekend is, voorafgaand aan het vragen naar de personalia de cautie moet krijgen. In een dergelijk geval is er wel degelijk sprake van verhoren.
Zie nader Jebbink 2009.
Jebbink 2009, onder ‘rechtspraak EHRM’.
EHRM 25 september 2003 (Vasileva t. Denemarken). Zie eerder ECRM 9 september 1992 (Reyntjens t. België).
Zie § 12.4 hiervoor.
A-G Machielse, conclusie bij HR 26 juni 2012, NJ 2013,85 (m.nt. Bleichrodt), pt. 7.2.9 e.v.
Daarbij verwijst hij naar HR 19 september 2006, NJ 2007, 39 (m.nt. Reijntjes) en HR 21 december 2010, NJ 2011, 425 (m.nt. Reijntjes), waarin de raad deze redenering volgt.
Zie § 6.4.3 hiervoor. Los van de beperkte actieve medewerking die een identificatieplicht oproept, leidt het niet voldoen aan de verplichtingen opgelegd in art. 47b, lid 1 AWR niet tot formele sancties (zie § 14.3.2.2.2 hiervoor). De identificatieplicht ex art. 47, lid 3 AWR wordt bedreigd met een geldboete van de tweede categorie (max. € 4.050).
De identificatieplicht in art. 47, lid 3 AWR en art. 47b, lid 1 AWR behelst niet de mondelinge opgaaf van personalia, maar enkel het tonen aan de inspecteur van een identiteitsbewijs.1 Het op deze wijze kenbaar maken van de identiteit zal op zichzelf geen belastende informatie opleveren. Wel kan het tonen van een identiteitsbewijs (de persoon van) de betrokkene koppelen aan het bewijs waarover de inspecteur dan al beschikt.2 Vgl. (identiteits)fraude die door het tonen van een (al dan niet vals) identificatiebewijs wordt bevestigd.
Uitgangspunt EHRM: identificatieplicht is niet problematisch
Jebbink wijst erop dat het EHRM zich heeft uitgelaten over het opgeven van een naam respectievelijk de legitimatieplicht. Omdat dit gebeurde onder de uitdrukkelijke constatering dat de klager niet werd aangemerkt als ‘charged with a criminal offence’, bleef toetsing aan het recht tegen gedwongen zelfbelasting achterwege.3 In Vasileva overweegt het Hof in algemene zin dat het een fundamentele voorwaarde is voor het waarborgen van de wetshandhaving dat de politie de identiteit van burgers kan vaststellen.4
In ruimer verband kan worden gewezen op de meer genoemde verkeerzaken Wehen O’Halloran en Francis. Daarin oordeelt het Hof toelaatbaar de opgaaf onder vrij forse boetedreiging van de identiteit van de bestuurder door een bezitter van de auto waarmee een overtreding was begaan. Het opgeven van de identiteit van een bestuurder door de bezitter van een auto is echter niet gelijk te stellen met een identificatieplicht. Bovendien neemt het Hof in O’Halloran en Francis een bijzonder regime voor verkeerszaken aan.5 Of uit deze verkeerszaken conclusies kunnen worden getrokken voor wat betreft de toelaatbaarheid van een identificatieplicht, is dus niet duidelijk.
Gebruik van gegevens uit identiteitsbewijs; Saunders-arrest
Ik wijs nog op de conclusie van A-G Machielse tot het arrest van de strafkamer van 26 juni 2012, nr. 11/03222, betreffende het tonen van een identiteitsbewijs in de toezichtssfeer.6 Daarin gaat hij in op de verhouding tussen onder meer de zaak Saunders en het gebruik van (in de toezichtssfeer) verkregen gegevens, naar aanleiding van het tonen van een identiteitsbewijs. Gelet op het Saunders-arrest acht Machielse het (belastend) gebruik van gegevens uit het document dat de verdachte in kwestie bij een bestuursrechtelijke controle moest tonen, niet onverenigbaar met art. 6 EVRM. De verdenking tegen de verdachte was gerezen op grond van een ‘wilsonafhankelijk’ bescheid, terwijl verdachtes verklaringsvrijheid niet in het geding was.7
De voorlopige slotsom is dat – zo het niet-meewerkrecht daarop al toepasselijk is – het tonen van een identiteitsbewijs op zichzelf niet (potentieel) belastend is in de zin van de Straatsburgse rechtspraak.8 Omdat het bestaan van een identiteitsbewijs mag worden aangenomen, ligt het niet voor de hand dat het gebruik van de aldus verkregen (identiteits)gegevens in strijd met het recht tegen gedwongen zelfbelasting komt.