Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/5.4.2:5.4.2 Meer aansluiting zoeken bij het commerciële winstbegrip; een optie voor Nederland?
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/5.4.2
5.4.2 Meer aansluiting zoeken bij het commerciële winstbegrip; een optie voor Nederland?
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395934:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een ander verschil tussen beide landen is de verhouding tussen het fiscale winstbegrip en het commerciële winstbegrip. In Nederland staat het Angelsaksische model centraal inhoudende dat de externe verslaggeving georiënteerd is op aandeelhouders (’true and fair view’’). In Nederland bestaat er wel een link tussen de fiscale en commerciële winstbepaling, maar die betekent in principe “slechts’’ dat elementen uit de bedrijfseconomie in eerste instantie als leidend worden gezien. Nederland kent een relatief sterke autonomie van de fiscale regels over de winstbepaling en het begrip goed koopmansgebruik heeft zich in de geschiedenis los van de commerciële winstbepaling ontwikkeld. Dit is een groot verschil ten opzichte van Duitsland, waarin het continentale model (voorzichtige waardering en crediteurenbescherming) centraal staat. In Duitsland heeft de fiscale regelgeving zich (vergeleken met Nederland) in geringe mate ontwikkeld ten opzichte van de commerciële regelgeving. In Duitsland is de aansluiting van de fiscale jaarrekening op de commerciële jaarrekening van oorsprong het uitgangspunt.
In welke mate het commerciële winstbegrip van invloed zou moeten zijn voor het fiscale winstbegrip wordt al vanaf het bestaan van een winstbelasting voor lichamen in beide landen bediscussieerd. Na de analyse van de historische ontwikkeling en systematiek in Duitsland ben ik van mening dat Nederland meer aansluiting zou moeten zoeken bij het commerciële winstbegrip zoals in Duitsland het geval is (geweest). Uit hoofdstuk 5.3.2 blijkt expliciet dat Maßgeblichkeit uitvoerbaarheid, eenvoud en uniformiteit tot doel had. Het aansluiten bij het commerciële winstbegrip zorgt mijns inziens voor een verbetering ten aanzien van de fiscaal-beleidsanalytische toets (uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid) en de fiscaal-wetstechnsiche toets (eenvoud, duidelijkheid, toegankelijkheid). Daarnaast zal er ook sprake zijn van een toename van de onderlinge samenhang (meer samenhang tussen de bedrijfseconomie en de fiscaliteit; onderdeel van de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader). Het is echter opmerkelijk te noemen dat juist ook in Duitsland een tendens is waar te nemen dat het fiscale winstbegrip zich los van het commerciële winstbegrip verder ontwikkelt. Dit is deels te wijten aan de wetgever die fiscaal gezien, om al dan niet (politieke) sturende en/of budgettaire redenen afwijkt van de commerciële regels. Daarnaast wijkt de in Duitsland van oudsher continentale methode van winstberekening (volgens het Rijnlandse model) af van de internationale meer geaccepteerde Angelsaksische methode (zoals IFRS).
Het Duitse fiscale winstbegrip sluit mijns inziens niet beter of slechter aan bij het fiscale winstbegrip in het CCTB-voorstel. Zoals in hoofdstuk 5.2.3.2 al aangegeven, is het opvallend dat in het CCTB-voorstel geen enkele verwijzing is te vinden naar nationale, dan wel internationaal aanvaarde accountingstandaarden (zoals IAS/IFRS). Volgens de inschatting van Essers1 zou de Europese Commissie anders het verwijt kunnen krijgen dat zij via het CCTB-voorstel probeert te bewerkstelligen wat zij met de IAS-verordening niet voor elkaar kreeg, namelijk de harmonisatie van de winstvaststellingsregels voor alle jaarrekeningen in de EU. Essers pleit voor een stelsel waarin alleen op IAS/IFRS kan worden teruggevallen als zowel de in het CCTB-voorstel opgenomen definities en specifieke bepalingen als de algemene uitgangspunten en beginselen van de CCTB geen oplossing bieden. Ook Eggert wijst erop dat IFRS eigenlijk de enige mogelijkheid is voor de uitleg van het CCTB fiscale winstbegrip als de CCTB zelf geen oplossing biedt. Anders zou namelijk iedere lidstaat weer terugvallen op eigen nationale invulling van de regels, hetgeen juist indruist tegen de gedachte van de CCTB.2
Invoering van internationale accounting standaarden, zoals de IFRS in 2005 heeft er mijns inziens voor gezorgd dat het verschil tussen Nederland en Duitsland – wat betreft de verhouding tussen het commerciële en fiscale winstbegrip - kleiner is geworden. IFRS krijgt in de fiscaliteit steeds meer aandacht en ik verwacht dat zowel de Nederlandse als Duitse wetgever en rechter in de toekomst IFRS meer als inspiratiebron gaan gebruiken voor de verdere invulling van het fiscale winstbegrip.
Voor de toekomst lijkt het mij, zoals ik in hoofdstuk 5.2.3.2 reeds heb aangegeven, aanbevelenswaardig dat er één uniform commercieel en fiscaal (EU wettelijk vastgelegd) winstbegrip komt dat is gebaseerd op going-concern waardering. Hoe lastig dat zal zijn blijkt wel uit het feit dat er (nog steeds) geen overeenstemming is over harmonisatie van winstvaststellingsregels voor alle jaarrekeningen in de EU noch over een C(C)CTB.