Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.6.5
5.6.5 Meest voorkomende Europese subsidieverplichtingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397301:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 56, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 71, eerste lid, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO); artikel 55, eerste lid, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds). Zie hieromtrent GvEA 12 december 2007, T-308/05 (Italië/Commissie), Jur. 2007, p. II-5089, r.o. 86 en HvJEG 24 november 2005, gevoegde zaken C-138/03, C-324/03 en C-431/03 (Italië/Commissie), Jur. 2005, p. 1-10043, r.o. 44-49.
Zie bijvoorbeeld artikel 9, vijfde lid en artikel 78, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/ 2006 (structuurfondsen). In een bijlage bij de Commissiebeschikkingen inzake de migratiefondsen is bijvoorbeeld aangegeven dat uitgaven in de regel worden gestaafd met officiële facturen. Zie bijvoorbeeld bijlage 11, punt 1.52 van de Commissiebeschikking EVF. Voorts is in de Programmagids Jeugd in Actie ten aanzien van de subsidiabele kosten die zijn gebaseerd op de werkelijke kosten bepaald dat kopieën van nota's en bonnen moeten worden overgelegd. Zie bijvoorbeeld de Programmagids Jeugd in Actie 2012, p. 31. Vaak is één en ander uitgewerkt in handboeken voor de nationale uitvoeringsorganen. Zie bijvoorbeeld de Manual on eligibility rules die in het kader van de migratiefondsen is opgesteld. Deze Manual is niet gepubliceerd maar wel te vinden onder <http://www.dmp.mvr.bg/NR/rdonlyres/454C1D36-956F-4CE13-87CD-F3309364D16C/0/SOLID201103Manualoneligibility4thversion.pdf>.
Voor Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie volgt dit reeds uit de jaarlijkse programmagidsen. Zie de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel 1, p. 34.
Zie bijvoorbeeld 27, eerste lid, onder i, van de Beschikking nr. 573/2007 (EVF); artikel 60, aanhef en onder d, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 75, aanhef en onder c, van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO); artikel 59, aanhef en onder d, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserijfonds).
GvEA 30 september 2003, T-196/01 (Arisotelio Peneptistimio), Jur. 2003, p. II-3987, r.o. 47.
GvEA 30 september 2003, T-196/01 (Arisotelio Peneptistimio), Jur. 2003, p. 11-3987, r.o. 47.
GvEA 30 september 2003, T-196/01 (Arisotelio Peneptistimio), Jur. 2003, p. II-3987, r.o. 49.
Zie bijvoorbeeld artikel 9 van de Commissieverordening nr. 1828/2006 en bijlage I bij die verordening (structuurfondsen); artikel 34 van de Commissiebeschikking EVF.
Zie artikel 7, eerste lid, van de Verordening nr. 2052/88; artikel 7, eerste lid, van de Verordening nr. 2081/93; artikel 12 van de Verordening nr. 1260/99. Voor landbouwsubsidies uit hoofde van het EOGFL, afdeling Garantie ontbrak een dergelijke bepaling in de Verordening nr. 720/90. De verplichting om het beleid inzake overheidsopdrachten na te leven werd in HvJEG 8 mei 2003 (HvJEG 8 mei 2003, C-349/97 (Spanje/Commissie), Jur. 2003, p. 1-3851, r.o. 203) daarom gebaseerd op de bepaling dat de lidstaten zich moeten vergewissen van de regelmatigheid van de door de Europese fondsen gefinancierde uitgaven.
Zie bijvoorbeeld artikel 60, aanhef en onder b, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen). Zie ook de richtsnoeren voor het vaststellen van financiële correcties voor door de structuurfondsen en het cohesiefonds medegefinancierde uitgaven, in geval van niet-naleving van de regels inzake overheidsopdrachten, 29 november 2007, COCOF 07/0037/03-NL. Soms vindt uitwerking van de aanbestedingsregels plaats in soft law: zie bijvoorbeeld de Manual for eligible costs in het kader van de migratiefondsen, versie 4, p. 59. Deze soft law vormt een uitwerking van artikel 11 van de Commissiebeschikking EVF. Deze Manual is niet gepubliceerd maar wel te vinden onder <http://www.dmp.mvr.bg/NR/rdonlyres/454C1D36-956F-4CE13-87CD-F3309364D16C/0/SOLID201103Manualoneligibility4thversion.pdf>.
Zie hieromtrent ook de interpretatieve Mededeling van de Europese Commissie over de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op het plaatsen van opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen; 2006/C 179/ 02. Het Gerecht heeft in een arrest van 20 mei 2010 uitgemaakt dat deze mededeling de lidstaten geen nieuwe verplichtingen oplegt (T-258/06 (Duitsland/Commissie), Jur. 2010, p. II-2027.
GEU 14 april 2011, T-70/09 (Nederland/Commissie), n.n.g., AB 2011, 368, m.nt. J.E. van den Brink en C. de Kruif. In dit arrest komt alleen aan de orde of de Europese Commissie het oordeel dat sprake is van een grensoverschrijdend belang van opdrachten onder de drempel en derhalve het transparantiebeginsel is geschonden voldoende heeft gemotiveerd.
Zie artikel 8, derde lid, van de Commissieverordening nr. 501/2008 (voorlichtings- en afzetbevorderingsacties) en de Richtsnoeren afzetbevorderingsacties p. 5 e.v.; voor de migratiefondsen zie artikel 11 van de Commissiebeschikking EVF en de aanvulling in soft law, de Manual for eligible costs versie 4, p. 11. Deze Manual is niet gepubliceerd maar wel te vinden onder <http://www.dmp.mvr.bg/NR/rdonlyres/454C1D36-956F-4CE13-87CDF3309364D16C/0/SOLID201103Manualoneligibility4thversion.pdf>.
Zie bijlage 11, I.1 onder e, van de Commissiebeschikking EVF.
Zie artikel 8 van de Commissieverordening nr. 612/2009 (exportrestituties).
Zie bijvoorbeeld artikel 56, derde lid, van de Verordening nr. 1198/2006 (Europees Visserij-fonds); artikel 57 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen); artikel 72 van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO).
Voor de structuurfondsen en het Europees Visserijfonds geldt een periode van drie jaar (zie artikel 90, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 en artikel 87, eerste lid, van de Verordening nr. 1198/2006). Voor de migratiefondsen geldt een bewaarplicht van vijf jaar (zie artikel 43 van de Beschikking nr. 573/2007 (EVF). Voor het ELGF en het ELFPO geldt een periode van 3 jaar (artikel 9 van de Commissieverordening nr. 885/2006).
Zie bijvoorbeeld artikel 90 van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen).
Zie artikel 50bis van de Verordening nr. 1698/2005 (ELFPO) en de artikelen 4-6 van de Verordening nr. 73/2009 (bedrijfstoeslag).
Zie bijvoorbeeld HvJEG 13 maart 2008, C-96/06 (Viamex Agrar Handels GmbH), Jur. 2008, p. 1-1413.
Zie bijvoorbeeld paragraaf 3.8.4, punt 4 van de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren. Omdat de Gids voor de nationale agentschappen Een Leven Lang Leren niet is gepubliceerd en is gericht tot de lidstaten, dient deze verplichting wel te worden doorvertaald in de nationale subsidieverhouding.
Op grond van artikel 56, eerste lid, van de Verordening nr. 1083/2006 (structuurfondsen) mogen projecten niet vóór de begindatum van de subsidiabele periode zijn voltooid.
Zie bijvoorbeeld artikel 31 van de Commissieverordening nr. 612/2009 (exportrestituties) en artikel 10, tweede lid, van de Commissieverordening nr. 826/2008 (particuliere opslag). Zie ook de Commissieverordening nr. 2220/85 tot vaststelling van gemeenschappelijk uitvoeringsbepalingen inzake de regeling voor het stellen van zekerheden voor landbouwproducten. Zie hieromtrent in het algemeen De Moor-van Vugt 1993, p. 99.
Zie bijvoorbeeld de Programmagids Een Leven Lang Leren 2012, deel 1, p. 48.
Zie bijvoorbeeld artikel 21 van de Verordening nr. 1080/2006 (EFRO: territoriale samenwerking).
In deze paragraaf wordt ingegaan op belangrijkste subsidieverplichtingen die ingevolge de Europese subsidieregelgeving op de eindontvanger van de Europese subsidie rusten dan wel door het nationaal uitvoeringsorgaan moeten worden opgelegd.
Voor de Europese subsidies die in de vorm van kostensubsidies worden verstrekt, gelden allerlei administratieverplichtingen. De lidstaten kunnen namelijk alleen de daadwerkelijk gedane uitgaven van gesubsidieerde projecten declareren.1 Voorts moeten deze uitgaven binnen de programmaperiode zijn gedaan. Uit de Europese subsidieregelingen volgt doorgaans hoe moet worden aangetoond dat de subsidiabele uitgaven daadwerkelijk door de eindontvangers zijn gedaan, bijvoorbeeld door middel van facturen of boekhoudkundige stukken met gelijkwaardige bewijskracht.2 Nationale uitvoeringsorganen moeten ervoor zorgdragen dat eindontvangers van de Europese subsidie kunnen aantonen dat de uitgaven voor een project daadwerkelijk binnen de programmaperiode zijn gedaan, overeenkomstig de door de EU gestelde eisen.3 Daarnaast is in de meeste Europese subsidieregelgeving neergelegd dat door eindontvangers van Europese subsidies een afzonderlijk boekhoudsysteem of een passende boekhoudkundige code moet worden gebruikt voor alle transacties die verband houden met het gesubsidieerde project.4
In een uitspraak van 30 september 2003 overweegt het Gerecht ten aanzien van een Europese subsidie uit het EOGFL-0 die rechtstreeks door de Europese Commissie was verstrekt aan de Aristoteles-Universiteit van Thessaloniki dat het aan de eindontvanger van de Europese subsidie staat om het project uit te voeren, zoals dit is goedgekeurd en om de volledige naleving te verzekeren van de voorwaarden voor toekenning van de bijstand, zoals deze in de toekenningsbeschikking en de daarbij behorende bijlagen zijn opgenomen.5 Indien de Europese Commissie in het kader van haar onderzoek op informatie stuit die op het bestaan van onregelmatigheden duidt, moet de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen aantonen dat het project volledig in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen en in het bijzonder met de toekenningsbeschikking is uitgevoerd.6 Hij moet met name aantonen dat de uitgaven daadwerkelijk zijn verricht, dat zij rechtstreeks verband houden met de verschillende in het project voorziene acties en dat zij evenredig zijn in verhouding tot de doelstellingen van het project. Op grond van de op hem rustende loyaliteitsplicht, die voortvloeit uit de verplichting om het project in een geest van partnerschap en wederzijds vertrouwen uit te voeren, dient de eindontvanger van de Europese subsidie de Europese Commissie alle bewijsstukken over te leggen en haar alle uitleg te verschaffen die hem, gelet op de bijzonderheden van het project en de in de bijlagen bij de toekenningsbeschikking opgenomen financieringsvoorwaarden, noodzakelijk kunnen lijken om de twijfel van de Europese Commissie weg te nemen.7
De EU vindt het voorts erg belangrijk dat voor de burgers van de EU duidelijk is welke projecten door de EU worden (mede)gefinancierd. Vandaar dat ten aanzien van de meeste Europese subsidies is bepaald dat de eindontvangers zich aan zogenoemde 'publiciteitsverplichtingen' moeten houden. Deze verplichtingen gaan zover dat exact is bepaald welke soorten bordjes bij projecten moeten worden geplaatst en welke kleur blauw de Europese vlag daarop moet hebben.8
Wanneer eindontvangers van een Europese subsidie ervoor kiezen om derden in te schakelen bij de uitvoering van een project door middel van een overeenkomst tot opdracht, zijn zij verplicht de Europese aanbestedingsregels in acht te nemen. In vorige programmaperioden was in de structuurfondsen-verordeningen expliciet bepaald dat de door de EU gefinancierde acties in overeenstemming dienden te zijn met het beleid inzake overheidsopdrachten.9 De toepasselijkheid van de verplichting tot aanbesteding vloeit in de huidige programmaperiode vaak voort uit de algemene regel dat de gedeclareerde uitgaven in overeenstemming met de communautaire voorschriften moeten zijn.10 Voor zover de eindontvangers van de Europese subsidies aanbestedende diensten zijn, geldt immers dat de Europese aanbestedingsregels automatisch van toepassing zijn. Het lastige is dat het aanbestedingsrecht voortdurend in beweging is. Zo heeft het Hof van Justitie uitgemaakt dat het transparantiebeginsel ook in acht moet worden genomen indien een opdracht niet behoeft te worden aanbesteed, bijvoorbeeld omdat de drempel niet is gehaald.11 Uit het arrest van het Gerecht van 14 april 2011 blijkt bijvoorbeeld dat de Europese Commissie een forfaitaire financiële korting van 10% toepast op het door Nederland gedeclareerde uitgavenbedrag, omdat de eindontvangers van de Europese subsidies bij het laten uitvoeren van projecten onder de drempel het transparantiebeginsel niet hadden nageleefd.12 Voorts is in veel Europese subsidieregelgeving neergelegd dat ook niet-aanbestedende diensten bij de selectie van uitvoerders een procedure in acht moet nemen die garandeert dat potentiële uitvoerders gelijk worden gehandeld.13
Soms is in de Europese subsidieregelgeving expliciet bepaald dat de subsidieverplichtingen die aan de eindontvanger van de Europese subsidie worden opgelegd, ook gelden voor de partners die bij de uitvoering van een project zijn betrokken.14 Dit heeft tot gevolg dat het nationaal uitvoeringsorgaan aan de eindontvanger van de Europese subsidie de subsidieverplichting moet opleggen, dat hij ervoor zorgdraagt dat de subsidieverplichtingen ook door ingeschakelde derden worden nageleefd.
Hiervoor is á even ingegaan op de bewijsstukken die in het kader van de structuurfondsen, het ELFPO, de migratiefondsen, Een Leven Lang Leren en Jeugd in Actie moeten worden overgelegd om te bewijzen dat de gedeclareerde uitgaven daadwerkelijk zijn gedaan en daarom subsidiabel zijn. Voor ELGF-subsidies geldt dat bewijsstukken moeten worden overgelegd om aan te tonen dat de producten daadwerkelijk uit de EU zijn uitgevoerd.15
Voorts is in veel Europese subsidieregelgeving de verplichting neergelegd dat het project dat met een Europese subsidie is gefinancierd gedurende vijf jaren in stand moet blijven zonder dat het project belangrijke wijzigingen ondergaat.16 Het gaat hier om een subsidieverplichting die voortduurt nadat het project is afgerond en de Europese subsidie is uitbetaald. Hetzelfde geldt voor de bewaarplicht die in veel Europese subsidieregelgeving is neergelegd. Alle bewijsstukken betreffende uitgaven en audits dienen ter beschikking van de Europese Commissie en de Europese Rekenkamer worden gehouden tot een periode van drie tot vijf jaar na afsluiting van het (operationeel) programma.17 De bewijsstukken mogen als originele stukken, maar ook voor authentiek gewaarmerkte versies op algemeen aanvaarde gegevensdragers worden bewaard.18 Hoewel deze verplichting in de Europese subsidieregelgeving is gericht tot de lidstaat, wordt in de praktijk deze verplichting neergelegd bij de eindontvanger van de Europese subsidie.
In het kader van de Europese landbouwsubsidies zijn voorts de randvoorwaarden van groot belang. Deze randvoorwaarden bestaan uit beheerseisen — milieuvoorschriften, eisen inzake de identificatie en registratie van dieren en eisen inzake de goede landbouw- en milieuconditie.19 Zij zijn neergelegd in Europese verordeningen en moeten door de eindontvanger van de Europese subsidie in aanmerking worden genomen op straffe van administratieve sancties en maatregelen.20
Ten slotte mogen ook niet onvermeld blijven de verslagleggingsverplichtingen,21 de verplichtingen tot het in acht nemen van bepaalde termijnen,22 de verplichting om een zekerheid te stellen,23 de verplichting tot cofinancierine24 en verplichtingen in het kader van de plaats van uitvoering van het project.25