Einde inhoudsopgave
Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm (R&P nr. CA6) 2012/3.3.5
3.3.5 Redelijkheid en billijkheid als gedragsnorm
mr. P.S. Bakker, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
mr. P.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS589671:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wiarda 1988, p. 54. Zie in dezelfde zin Pitlo 1964, p. 183, met betrekking tot art. 1374 lid 3 (oud) BW. Zie voorts Van der Grinten 1965, p. 59. Zie ook Meijers 1918, p. 143.
Zie hierover met betrekking tot o.a. Treu und Glauben, Larenz 1991, p. 223.
Zie in dezelfde zin o.m. Van Brakel 1948, § 376, Asser-Rutten 4-11 (4' druk), p. 230, Asser/ Hartkamp & Sieburgh 6-Bil*, nr. 392, Van der Werf 1982, p. 18 en 20, Pitlo/Bolweg 1979, p. 249 en Schoordijk 1996, p. 34. Zie voorts Reurich 2005b, p. 43.
Zie Eggens 1949, p. 200. Zie ook Nieuwenhuis 1989, p. 184 e.v., met verwijzing naar Hegel, Grundlinien der Philosophie des Rechts, par. 36.
Een contractuele uitsluiting van de redelijkheid en billijkheid zou immers neerkomen op een vrijbrief voor partijen om zich onfatsoenlijk en onredelijk te gedragen en is derhalve vanuit maatschappelijk oogpunt niet aanvaardbaar. Vgl. Van der Werf 1982, p. 12 en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-BI* 2010, nrs. 380 en 392. Zie ook hierna onder 5.
HR 15 november 1957, NJ 1958, 67 (m. nt. L.E.H. Rutten) en nadien herhaald in onder meer HR 5 januari 2001, NJ 2001, 79 (Nethou/Multi Vastgoed), HR 12 augustus 2005, NJ 2005, 467 (CBB/JP0) en HR 19 oktober 2007, NJ 2007, 565 (Vodafone/ETC).
Vgl. Asser-Rutten 4-11 (5' druk), p. 244.
Vgl. Valk, T&C, aant. 4 bij art. 6:228 BW.
Zie Reurich 2003, p. 52. Zie ook hoofdstuk 1, § 1.
Hoe nu te verklaren dat de uitleg van contracten aldus steeds naar redelijkheid en billijkheid dient plaats te vinden? Bezien wij, alvorens een antwoord te formuleren, eerst art. 6:2 BW, het algemene redelijkheid- en billijkheidsartikel dat ook wel als grondregel van het verbintenissenrecht wordt aangemerkt.1 Lid 1 daarvan bepaalt kort en krachtig:
Schuldeiser en schuldenaar zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van de redelijkheid en billijkheid.
In hoofdstuk 1 heb ik betoogd dat deze norm primair als een partijen dwingende, en van rechtswege werkende gedragsnorm moet worden opgevat. Redelijkheid en billijkheid zijn geen onversneden Leerformeln,2 waaraan elke willekeurige betekenis kan worden toegedicht, maar hebben een eigen gedragsnormerend karakter dat in de kern voor partijen bij een verbintenis de dwingende verplichting inhoudt om zich over en weer behoorlijk en zorgvuldig te gedragen.3 Een dergelijke houding brengt voor partijen met zich dat zij niet enkel oog mogen hebben voor het dienen van de eigen belangen, maar ook de gerechtvaardigde belangen van de ander in het vizier moeten houden en aldus "de ander als persoon" moeten respecteren.4 Deze verplichting is dwingend omdat zij het gehele verbintenissenrecht doordesemt en, gelet op het hetgeen hierover in hoofdstuk 1 reeds werd opgemerkt, van zo fundamentele aard moet worden geacht dat zij zich niet voor contractuele uitsluiting leent.5 Voornoemd gedragsnormkarakter van redelijkheid en billijkheid komt wellicht het meest kernachtig tot uiting in de in het standaardarrest Baris/Riezenkamp6 geformuleerde regel dat
"(...) partijen, door in onderhandeling te treden over het sluiten van een overeenkomst, tot elkaar komen te staan in een bijzondere, door de goede trouw beheerste, rechtsverhouding, medebrengende, dat zij hun gedrag mede moeten laten bepalen door de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij (...)
De daarop voortbouwende overweging
"dat voor dengene die overweegt een overeenkomst aan te gaan, tegenover de wederpartij een gehoudenheid bestaat om binnen redelijke grenzen maatregelen te nemen om te voorkomen dat hij onder den invloed van onjuiste veronderstellingen zijn toestemming geeft, de omvang van welke gehoudenheid mede hierdoor wordt bepaald, dat men in den regel mag afgaan op de juistheid van door de wederpartij gedane mededelingen (...)"
maakt duidelijk dat wat de gerechtvaardigde belangen van partijen zijn, mede afhankelijk is van het eigen gedrag van die partijen.7 Zo vormt de in de zojuist weergegeven overweging genoemde mededeling van de ene partij een gedraging die, indien de andere partij daarop afgaat, verder onderzoek staakt en vervolgens onder dwaling contracteert, bij de mededelende partij tot verlies van een gerechtvaardigd belang bij instandhouding van de overeenkomst kan leiden en bij de andere partij tot verkrijging van een gerechtvaardigd belang bij vernietiging van het overeengekomene.8 Partijen beïnvloeden dusdoende door hun eigen gedrag over en weer de mate van gerechtvaardigdheid van het eigen belang en dat van de ander.9 De voortdurende verplichting om met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening te houden heeft derhalve geen abstract of statisch karakter, maar moet concreet, dynamisch en wederkerig worden gedacht. Dat deze verplichting in belangrijke mate ook de uitleg van overeenkomsten beheerst, is onderwerp van de volgende subparagraaf. Daarin zal opnieuw zichtbaar worden dat de vraag naar de gerechtvaardigdheid van de over en weer bestaande belangen niet los kan worden gezien van de eigen gedragingen van partijen: wat redelijkheid en billijkheid in het gegeven geval van hen eisen wordt door hun eigen gedrag derhalve medebepaald.