Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.6.2:IV.1.6.2. Opleg en ‘beneficiaire aanvaarding van rechtswege’
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.1.6.2
IV.1.6.2. Opleg en ‘beneficiaire aanvaarding van rechtswege’
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581531:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Beziet men welke bepalingen, naast 4:120 BW, zien op de vermindering dan komen slechts de bepalingen van art. 4:121 BW en 4:122 BW in paragraaf 1 van afdeling 2 van titel 5 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek in beeld. Ik wil thans kort bij deze bepalingen stilstaan. Art. 4:122 komt het eerst aan bod.
Een voorbeeld. A overlijdt. Hij benoemde tot zijn enige erfgenaam zijn broer B, die de nalatenschap aanvaardde. A had een schuld aan J groot 10. Hij schonk aan Z zijn zeilboot waard 100, onder de opschortende voorwaarde dat Z hem overleeft. A kon de schenking te allen tijde herroepen. Hij legateerde aan X en Y ieder een bedrag groot 75. Zijn nalatenschap bestond uit goederen waard 210, inclusief zeilboot.
Er is een tekort in de nalatenschap van 50. Art. 4:120 lid 2 BW juncto art. 4:126 BW geeft het volgende beeld. De legaten en het quasi-legaat worden verminderd. Vermindering werkt alleen in de onderlinge verhouding tussen de legatarissen en de quasi-legatarissen, zo volgt uit lid 5 van art. 4:120 BW. In beginsel geschiedt de vermindering naar evenredigheid, nu sprake is van een herroepelijk quasi-legaat. Ik verwijs naar hetgeen ik hiervoor in par. 1.6.1 van dit hoofdstuk opmerkte. Dit zou betekenen dat de (quasi-)legaten van X, Yen Z naar evenredigheid verminderd moeten worden met totaal 50 in de verhouding 3:3:4. De legaten van X en Y worden elk verminderd met 15 en het quasi-legaat van Z met 20. Moet Z het nu doen met een deel van de zeilboot?
Art. 4:122 BW bepaalt dat de legataris volledige voldoening (ten laste van de nalatenschap) van het legaat kan verlangen, mits hij het bedrag van de vermindering oplegt. Mijns inziens kan men betogen dat aan de kwalificatie als quasi-legaat inherent is dat ook de quasi-legataris zich van art. 4:122 BW kan bedienen en uitvoering van de (hele) overeenkomst kan verlangen door het verminderde gedeelte op te leggen.1 Een crediteur komt hierdoor overigens ook niets tekort.
Maakt Z geen gebruik van deze bevoegdheid dan kan degene die het quasi-legaat moet afgeven, volstaan met de uitkering van de waarde van het verminderde quasi-legaat.2 Ook indien sprake is van volledige vermindering kan men opleggen.3
Art. 4:121 BW regelt de ‘beneficiaire aanvaarding van rechtswege’ van legaten. Een legataris is bevoegd de hem opgelegde sublegaten en tot een uitgave in geld of goed verplichtende lasten te verminderen, voor zover het de waarde van het hem gelegateerde ontoereikend is of door inkorting of vermindering ontoereikend wordt om aan de hem opgelegde verplichtingen te voldoen. Deze vermindering werkt ook extern en beperkt derhalve de aansprakelijkheid. Kan deze bepaling ook een rol spelen bij quasi-legaten?
Op het eerste gezicht lijkt dit niet het geval te zijn. Indien de verplichting die de (vermeend) quasi-legataris moet verrichten groter is dan de waarde van zijn verkrijging, kan aangenomen worden dat de tegenprestatie redelijk is in de zin van art. 4:126 lid 2 onder a BW. Dit voorkomt dat sprake is van een quasi-legaat. Bij een schenking die valt onder art. 4:126 BW komt men aan de regeling van art. 4:121 BW eveneens niet toe, omdat in de regel sprake is van ‘om niet’. Van te verminderen lasten is geen sprake. Bij een schenking van art. 7:177 BW onder een last (ten behoeve van een derde) of voor de gift van art. 7:177 BW met (niet verwaarloosbare) tegenprestatie, zou bij het overlijden kunnen blijken dat de last of tegenprestatie zoveel gewicht in de schaal legt dat de betrokkene per saldo moet bijpassen, bij hetgeen bij uitvoering van de gift blijkt te worden verkregen, na inkorting of vermindering. Anders dan bij het quasi-legaat van art. 4:126 lid 2 onder a BW, waar de redelijkheid van de tegenprestatie nog wordt beoordeeld op het moment van overlijden, vindt in beginsel geen toets meer plaats op het moment van overlijden.
Art. 4:126 lid 3 BW juncto art. 4:66 BW brengt mijns inziens hier de benodigde verzachting. Hierover hierna meer in par. 1.8 en par. 3.5 van dit hoofdstuk.
Art. 4:121 BW acht ik niet van toepassing. De quasi-legaten regeling strekt niet zo ver. De gift blijft een gift in dit kader, en wordt niet ‘omgetoverd’ in een legaat onder sublegaat/last. Ik verwijs naar par. 1.5.1 van dit hoofdstuk. In het onderhavige artikel staat overigens ook de aansprakelijkheid centraal van de legataris die beperkt kan worden in geval van inkorting of vermindering en niet zo zeer de inkorting en vermindering als zodanig, waar art. 4:126 BW op doelt. Het toepassen van art. 4:121 BW is derhalve niet inherent aan het feit dat de regels van vermindering gelden voor een quasi-legaat.
Hier komt overigens wederom tot uitdrukking dat de wetgever beter had moeten aangeven hoever de quasi-legatenregeling strekt, zodat vragen van deze aard niet gesteld hoefden te worden.