Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.2.2.4.1
2.2.2.4.1 De wil van de oprichter
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232372:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/58. Zie voor België M. Puelinckx-Coene, R. Barbaix & N. Geelhand, ‘Overzicht van rechtspraak giften 1999-2011 (1)’, Tijdschrift voor Privaatrecht 2013/1, p. 310.
Zo ook P.H.N. Quist in zijn noot bij Hof Leeuwarden 9 september 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BF0762, JOR 2008/329; C.P.M. van Houte, ‘De stichting als rechtsvorm voor asset protection’, S&V, 2001/6.
Uiteraard kan de oprichter nog wel van (grote) betekenis zijn in een andere relatie tot de rechtspersoon, zoals aandeelhouder, bestuurder of lid. Vgl. Van Uchelen-Schipper 2018/4.2.3, waarover Dijk/Van der Ploeg 2019/2.2.4.
Zie ook P.H.N. Quist in zijn noot bij Hof Leeuwarden 9 september 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BF0762, JOR 2008/329.
Van de Velde 1937.
Rechtbank Noord-Nederland 3 maart 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:876, JOR 2016/124, m.nt. J.M. Blanco Fernández, r.o. 3.4.5. In hoger beroep bevestigt het hof het belang van de bedoeling van de oprichter. Het hof legt de bedoeling van de oprichter echter strenger uit dan de rechtbank, Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8167, RN 2017/4.
Zie ook W.J.M. van Veen, ‘Het belang van de rechtspersoon en zijn ‘raison d’etre’’, WPNR 2017/7162.
Dat wijziging van het doel slechts zeer beperkt mogelijk is, is onomstreden, zie Asser/Rensen 2-III 2017/361; Dijk/Van der Ploeg 2019/12.3.1; B.C.M. Waaijer, Statuten en statutenwijziging (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 1993, p. 178; Quist 2008; Van Veen 2011, p. 31. Zie ook de karakterisering van de stichting door Meijers: ‘vaststelling van doel en organisatie door stichters; geen organisatie van leden; geen bevoegdheid van bestuurders om ingrijpende wijzigingen in doel en organisatie aan te brengen en verwezenlijking van een door hoofdzakelijk door een daarvoor bestemd kapitaal’, Meijers 1958, p. 262, curs. TR. In 4.4.1.1 ga ik nader in op de (on)mogelijkheid tot statutenwijziging.
Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/181. Ten aanzien van de uitlegnorm schrijven D.A. Viëtor & H.M.H. Speyart: ‘Daarbij geldt dat in de jurisprudentie en de literatuur vrij breed wordt aangenomen dat uitgangspunt is dat uitleg van statutaire bepalingen in principe moet plaatsvinden op basis van de CAO-maatstaf. Gedachte is dat outsiders hun rechtspositie ten opzichte van de rechtspersoon moeten kunnen bepalen op basis van objectieve informatie die openbaar beschikbaar is. Objectieve rechtszekerheid prevaleert in die situatie boven (subjectieve) partijbedoeling’, D.A. Viëtor & H.M.H. Speyart, ‘Vennootschappelijk belang en doeloverschrijding. Art. 2:7 BW richtlijnconform uitgelegd’, Onderneming en Financiering 2016/2. Zie ook A-G Valk in zijn conclusie van 28 juni 2019, ECLI:NL:PHR:2019:768, voor HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1688, RN 2019/102.
Zo ook Van Uchelen-Schipper 2018/6.2.3; Dijk/Van der Ploeg 2019/12.3.1. Zie voor de aard van de statuten van een stichting, Rechtbank Arnhem 10 december 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG7072, JOR 2009/34, m.nt. E. Schmieman (Gelredome).
Als de stichting eenmaal rechtspersoonlijkheid bezit, ‘bestaat’ zij. Vanaf dat tijdstip kan de stichting subject van vermogensrechten zijn.1 Toch is zij in menig opzicht een vreemde eend in de bijt van Boek 2 BW. Alle andere in Boek 2 BW geregelde rechtspersonen hebben uiteindelijke rechthebbenden tot hun vermogens. Bij de NV en de BV zijn dat de aandeelhouders en bij de vereniging de leden. Bij de stichting is geen rechthebbende aan te wijzen, de stichting staat op zichzelf.2 Een ander aspect waarin de stichting ten principale verschilt van de andere Boek 2-rechtspersonen is de positie van de oprichter ten aanzien van de statuten. Bij de overige rechtspersonen is de invloed van de oprichter op de statuten in beginsel beperkt. Het is immers de algemene vergadering (of een ander orgaan dat daartoe krachtens de wet of de statuten bevoegd is) dat bepaalt of de statuten worden gewijzigd. Bij de stichting is dit anders. Daar blijft de wil van de oprichter onbeperkt van belang.3 Het is de oprichter die bepaalt of statutenwijziging mogelijk is, in het bijzonder de wijziging van het doel. Dit komt omdat de stichting niet bestaat ten behoeve van aanwijsbare personen (aandeelhouders, leden), maar vermogensrechtelijk voor zichzelf.4 De reden van dat bestaan wordt door de oprichter vastgelegd bij de oprichting. Dan wordt immers bepaald waarvoor de stichting bestaat; dan wordt haar doel vastgelegd.5 Dat doel bestaat niet uit het belang van de oprichter of de bestuurders, hoewel het, in elk geval in Nederland, mogelijk is dat de oprichter de stichting opricht om zijn eigen belang te dienen. Maar als het belang van de oprichter verandert, blijft het doel van de stichting ongewijzigd. Omdat het doel van de stichting haar karakter bepaalt, legt de oprichter de grondslagen van de stichting vast voor haar gehele bestaansduur.6
Zie in dat verband ook Rechtbank Noord-Nederland die bij een verzoek tot wijziging van de statuten als volgt oordeelde:
‘In dit verband moet nagegaan worden wat gewild kan zijn bij de oprichting, ofwel: kunnen de gevolgen zoals die zich voordoen of dreigen voor te doen, redelijkerwijs zijn gewild door degene(n) die toen de statuten formuleerde(n), met inachtneming van de omstandigheden zoals die zich thans voordoen. Het gaat hierbij om een marginale toets; de rechter mag gelet op de woorden “redelijkerwijs kunnen” niet op de stoel van de oprichters gaan zitten.’7
Hieruit blijkt het belang van de wil van de oprichter. De wil van de oprichter is leidend en moet in de eerste plaats worden afgeleid uit de statutaire doelstelling8 en de overige grondregels van de stichting (te bespreken in 4.4.1.1.2). Het is niet voor niets dat het doel van een stichting slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gewijzigd, zelfs als de statuten de mogelijkheid tot wijziging bevatten.9
Ten aanzien van het leidend zijn van de wil van de oprichter past echter ook een belangrijke relativering. Zoals blijkt uit het hiervoor opgenomen citaat uit de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland, hoeft de rechter geen gedetailleerd onderzoek te doen naar de oorspronkelijke wil van de oprichter, maar volstaat een marginale toetsing.
De vraag die openstaat, is of de wil van de oprichter objectief of subjectief moet worden uitgelegd. Omdat de bedoeling van de oprichter haar weerslag vindt in de statuten, zal de wil van de oprichter moeten worden uitgelegd op dezelfde wijze als waarop statuten moeten worden uitgelegd. In het algemeen moeten statutaire bepalingen objectief worden uitgelegd.10 Omdat statuten in de regel objectief moeten worden uitgelegd, moet de wil van de oprichter daarom worden opgevat als zijn geobjectiveerde wil.11