Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.5:I.5 Conclusie
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/I.5
I.5 Conclusie
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581527:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De definitie van art. 4:42 lid 1 BW en de nadere invulling daarvan in de parlementaire geschiedenis bakent de uiterste wilsbeschikking voldoende af van andere rechtshandelingen met werking na overlijden. Hiermee is een discussie die onder het oude erfrecht nog gevoerd werd definitief gesloten. Een gesloten stelsel is in dat kader wel ‘gemakkelijk’, maar niet nodig.
Overeenkomsten kunnen geen uiterste wilsbeschikkingen zijn. In die zin onttrekken overeenkomsten zich in beginsel aan de regels die gelden voor uiterste wilsbeschikkingen (vormvoorschriften en dwingendrechtelijke herroepelijkheid). Het gesloten stelsel schiet in ieder geval tekort daar waar het de rangorde tussen de verschillende soorten crediteuren zou moeten regelen. Er zijn aanvullende regels nodig, de genoemde ‘pijlers’, om de rangorde tussen de diverse soorten crediteuren op orde te houden.
Een functie van het gesloten stelsel is slechts gelegen in de repressie van erfrechtelijke figuren als de ‘ouderlijke boedelverdeling’ en het ‘legatum per vindicationem’. Ook kan men denken aan het bij uiterste wilsbeschikking benoemen van de boedelnotaris of het creëren van een last zonder de bevoegdheid om ‘vervallenverklaring’ te vorderen. Deze functie is te vergelijken met hetgeen de Duitse wetgever beoogt met de ‘erbrechtlicher Typenzwang’. Ik ben van mening dat op zich geen bezwaren bestaan tegen deze repressieve functie. Het voorkomt dat het een ‘erfrechtelijk rommeltje’ wordt. Meer heeft het gesloten stelsel echter niet om het lijf: een ‘ordenende functie’. Onoverkomelijke bezwaren kan ik niet bedenken. Met erfstellingen, legaten, lasten, executele en bewind en dergelijke heeft de testateur een rijk geschakeerd palet om, geordend, zijn erfrechtelijke wensen vorm te geven. De testeervrijheid is gewaarborgd.
Het (onherroepelijke) aanbod bestemd om pas na overlijden aanvaard te worden, welk aanbod niet is neergelegd in een testamentsvorm als gevolg waarvan conversie in een legaat niet tot de mogelijkheden behoort, is geen uiterste wilsbeschikking. Deze conclusie levert geen problemen op voor het erfrechtelijke rangordesysteem. Een dergelijk aanbod is onherroepelijk te maken en niet aan erfrechtelijke vormvoorschriften onderhevig. Gezien het feit dat ook de overeenkomst terzake des doods tot de mogelijkheden behoort, zal mijns inziens het onderhavige aanbod niet vaak van zich (hoeven) doen spreken.