Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/2.3.1.1
2.3.1.1 De Obrigkeitsstaat
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232440:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. v.Campenhausen/Stumpf in v.Campenhausen/Richter § 15 Rn. 1.
Wet van 18 augustus 1896, Reichsgesetzblatt 1896, nr. 21, in werking getreden op 1 januari 1900. Op 2 januari 2002 is het BGB opnieuw afgekondigd (BGBl. I Nr. 2 van 8 januari 2002, p. 42 e.v., Berichtigung BGBl. I Nr. 53 van 31 juli 2002 p. 2909). De invoering van het BGB heeft de nodige voeten in de aarde gehad, zie Reinhard Bork, Allgemeiner Teil des Bürgerlichten Gesetzbuchs, 2. Auflage, Tübingen: Mohr Siebeck 2006, p. 16-19.
B. Weitemeyer & C. Franzius in: Rainer Hüttemann, Andreas Richter & Birgit Weitemeyer (red.), Landesstiftungsrecht, Köln: Verlag Dr. Otto Schmidt 2011, p. 55. Zie voor bespreking van de (gevaren van de) dode hand 2.4.1.
Ernst-Joachim Mestmäcker & Dieter Reuter, ‘Deutschland’, in: Klaus Neuhoff & Uwe Pavel (red.), Stiftungen in Europa, Eine vergleichende Übersicht, Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft 1971, p. 119.
Allgemeines Landrecht für die preuûischen Staaten van 5 februari 1794, in werking getreden op 1 juni 1794, zie hierover Huussen-de Groot 1976, p. 146 e.v. De stichting werd in delen van Duitsland tot ver in de twintigste eeuw beheerst door dit oude Pruisische recht. In het voormalige Pruisische deel van Hessen gold dit Pruisische recht tot de inwerkingtreding van het Hessisches Stiftungsgesetz (HessStiftG) in mei 1966, B. Weitemeyer & C. Franzius in: Rainer Hüttemann, Andreas Richter & Birgit Weitemeyer (red.), Landesstiftungsrecht, Köln: Verlag Dr. Otto Schmidt 2011, p. 55. In Nordrhein-Westfalen is deze Pruisische wetgeving zelfs van kracht geweest tot 1977, v.Campenhausen/Stumpf in v.Campenhausen/Richter 2014 § 3 Rn 6.
Zie ook Strachwitz 2010, p. 103.
v.Campenhausen in v.Campenhausen/Richter 2014 § 5 Rn 30.
Ernst-Joachim Mestmäcker & Dieter Reuter, ‘Deutschland’, in: Klaus Neuhoff & Uwe Pavel (red.), Stiftungen in Europa, Eine vergleichende Übersicht, Baden-Baden: Nomos Verlagsgesellschaft 1971, p. 119-120. Zie ook Strachwitz 2010, p. 103, waar hij spreekt van ‘Fürsorgepflicht in Hinblick auf die Kranken, Armen usw.’; Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88, Rn 15.
Toezicht is echter niet alleen voorbehouden aan Duitsland. Ook in Nederland kennen wij toezicht. Op grond van de Wet controle op rechtspersonen (wet van 7 juli 2010, Stb. 2010, 280) bestaat sinds 1 juli 2011 een doorlopend, repressief, overheidstoezicht op alle Boek 2 BW rechtspersonen. Preventief toezicht bestaat in Nederland niet meer met het afschaffen van de verklaring van geen bezwaar op 1 juli 2011 voor de NV en BV en voor de vereniging sinds de invoering van Boek 2 BW in 1976. Voor de stichting heeft in Nederland nooit preventief toezicht bestaan, zo bleek in 2.2.1.1.
Entwurf eines Gesetzes zur Modernisierung des Stiftungsrechts, Gesetzentwurf der Fraktionen SPD und BÜNDNIS 90/DIE GRÜNEN, Deutscher Bundestag Drucksache 14/827, p. 5. Andrick en Suerbaum relativeren deze opmerking door erop te wijzen dat Genehmigung een gebruikelijke term is in het Duitse bestuursrecht en dat het begrip Anerkennung in de Duitse rechtsorde vaak gebruikt wordt om een bijzondere door het recht erkende status te verkrijgen (zoals Anerkennung als asielzoeker of Anerkennung als dienstweigeraar), Bernd Andrick & Joachim Suerbaum, ‘Das Gesetz zur Modernisierung des Stiftungsrechts’, NJW 2002, 2905. Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010, Vorbemerkungen zu §§ 80 bis 88 Rn 73 wijzen erop dat ook na de wetswijziging van 2002 politieke gestuurde organen nog steeds beslissingsbevoegdheden kennen ‘die nichts anderes darstellen als eine Perpetuierung des Savigny’schen Verwaltungsmodells aus dem Zeitalter des Polizeistaats’.
Hütteman/Rawert, Staudinger BGB 2010 § 83 Rn 15-16.
In tegenstelling tot Nederland heeft de stichting in Duitsland haar karakter van doelvermogen nooit verloren.1 Een belangrijke rem op de ontwikkeling van de stichting was tot 2002 de eis van Genehmigung (machtiging; toestemming) uit het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB).2 Zonder Genehmigung door de overheid was het niet mogelijk een stichting op te richten.
De gedachte achter Genehmigung had twee aspecten die volstrekt los van elkaar stonden. Het eerste was het waken tegen de gevaren van de Perpetuierung des Stifterswillens, de gevaren van vermogen in de dode hand.3 Dit gevaar van vermogen in de dode hand kon niet worden bestreden door formele beperkingen op te leggen aan het doel van de stichting omdat het niet mogelijk zou zijn te komen tot een lijst van toegelaten doelstellingen voor de stichting.4 Het vóór het Bürgerliches Gesetzbuch in grote delen van Duitsland geldende Preußisches Allgemeines Landrecht van 17945 kende nog geen bepalingen tegen de dode hand.6
Het tweede, wellicht belangrijkste, aspect is daarentegen rechtstreeks afkomstig uit het Preußisches Allgemeines Landrecht. De staat moest controle kunnen uitoefenen op de beleidsterreinen die hij als de zijne beschouwde, het sociaal-maatschappelijk welzijn (Wohlfahrtsplege), met de daarbij behorende bevoegdheden voor de overheid.De Pruisische Genehmigung was daarmee van rechtspolitieke aard om het belang van de Obrigkeitsstaat, de autoritaire staat, te dienen, gebaseerd op wantrouwen tegen private weldadigheid. Voor de private weldadigheid, het gebied van de stichting, bleef weinig ruimte over.7
Het Bürgerliches Gesetzbuch bracht deze twee aspecten, het van overheidswege voorkomen van Perpetuierung des Stifterswillens en het overheidstoezicht op sociaal-maatschappelijk welzijn, samen tot een regeling van toezicht onder de oude naam Genehmigung.8 Hierdoor was het zonder toestemming van de overheid niet mogelijk een rechtspersoonlijkheid bezittende stichting op te richten.9 Niet voor niets is opgemerkt dat aan Genehmigung ‘ein Hauch eines Relikts aus Zeiten eines Obrigkeitsstaates’ kleeft.10
De regeling van de stichting was echter niet uitsluitend een aangelegenheid van het Bürgerliches Gesetzbuch. Ook de wetgeving van de afzonderlijke Duitse staten in het Keizerrijk en later de deelstaten van de Bondsrepubliek, hadden eigen wettelijke regelingen ten aanzien van de stichting. Deze wetgeving had grote invloed op de statuten, inrichting en functioneren van de Duitse stichting. Pas in het begin van deze eeuw is dat veranderd.11
Dat streng overheidstoezicht geen garantie is voor het ongestoord voortbestaan van de stichting, bleek in de Eerste en Tweede Wereldoorlog.