Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/20.2.4
20.2.4 Onderwerpen waarbij het begrip van godsdienst gerelateerd kan worden aan het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456431:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mogelijk dat deze opvatting uiteindelijk is terug te voeren op een gematigd theocratisch ideaaltype. Voor de Franse inval had Nederland immers een soort van staatsgodsdienst (of publieke kerk). Het is goed denkbaar dat de staat vanuit het belang van de publieke godsdienst deze kerk belastingtechnisch heeft willen bevoorrechten. Historisch onderzoek (dat het bestek van dit onderzoek te buiten gaat) zou hierover uitsluitsel kunnen geven.
Mogelijk dat ook deze vrijstelling uiteindelijk is terug te voeren op een gematigd theocratisch ideaaltype. Zie 19.4.2, voetnoot 18.
(1) Het begrip van godsdienst in het kader van de ANBI-regeling kan gerelateerd worden aan het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. De wijze van kwalificeren in het kader van de ANBI-regeling kan verklaard worden vanuit een toenemende liberale invloed waardoor er een groeiende afstand ontstond tussen de staat en de godsdienst. In het oude model stond niet ter discussie dat godsdienst en de plaatsen waar godsdienst werd bedreven: de kerkelijke instellingen, het algemeen belang dienden. Van oorsprong was dit ingegeven door de verwevenheid van de kerk met de staat. Men twijfelde er niet aan dat de doelstellingen en activiteiten van een kerkelijke instelling een religieus karakter hadden: men nam dit voetstoots aan.1
Door de toenemende afstand van de staat ten opzichte van de godsdienst veranderde dit. Deze afstand werd ingegeven door het liberale uitgangspunt van scheiding tussen kerk en staat. Vanuit het liberale gedachtegoed is de staat zich neutraal gaan opstellen ten opzichte van godsdienst en kerkelijke instellingen. Het gevolg is dat niet zomaar meer wordt aangenomen dat kerkelijke instellingen bijdragen aan het algemeen belang maar dat ze dit aan de hand van hun doelstelling en feitelijke activiteiten moeten gaan bewijzen.
(2) In het belastingrecht kan eveneens de eredienstvrijstelling in verband worden gebracht met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Ook hier geldt dat het liberale model resulteert in een toenemende afstand tussen staat en de godsdienst. In de rechtsgeschiedenis van de eredienstvrijstelling zien we dat in eerste instantie geheel geen belasting wordt geheven ten opzichte van de kerkgoederen,2 vervolgens dat alleen de kerkgelijke gebouwen waarin de eredienst plaatsvindt hiervan worden vrijgesteld, weer later dat alleen de gebouwen worden vrijgesteld die hoofdzakelijk zijn bestemd voor de eredienst en ten slotte dat de rechter aan de hand van feitelijke omstandigheden moet gaan toetsen of een gebouw voor 70% wordt gebruikt voor de eredienst. Deze liberale ontwikkeling wordt bekrachtigd door het gegeven dat niet alleen het onroerend goed van christelijke godsdiensten wordt vrijgesteld van belasting maar ook gebouwen van andere bekende godsdiensten, zoals moskeeën en synagogen, maar ook bekende levensovertuigingen doordat ook gebouwen waarin bezinningsbijeenkomsten plaatsvinden worden vrijgesteld. Ook hieruit blijkt dat de overheid zich op afstand plaatst van de kerk en andere godsdiensten en levensovertuigingen gelijk behandelt met kerkelijke instellingen. De objectiverende wijze van kwalificeren van de rechter naar aanleiding van de termen eredienst en bezinningssamenkomst kan worden gelegitimeerd vanuit een benadering die past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Wanneer men deze termen objectiveert door ze koppelen aan het gangbare spraakgebruik betekent dit dat men vooral uitgaat van de bekende traditionele godsdiensten en levensovertuigingen. Dit past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme: accommodatie van de erkende godsdiensten.
(3) Ten slotte kan het begrip van godsdienst dat ten grondslag ligt aan de wettelijke term richting in belangrijke mate worden geassocieerd met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme. Dit geldt dan voor de wijze waarop het begrip richting in de wetgeving en jurisprudentie nader is gedefinieerd en de wijze waarop naar aanleiding van dit begrip in de jurisprudentie uitingen en gedragingen zijn gekwalificeerd. Het geldt niet voor de wijze waarop het begrip richting door de grondwetgever is gedefinieerd. De subjectiverende definitie van het begrip richting van de grondwetgever is in verband te brengen met het ideaaltype van het communautarisme. De grondwetgever hanteert een open definitie van de term richting die kan worden begrepen vanuit de gedachte dat elk godsdienstig of levensbeschouwelijk collectief de vrijheid moet hebben om op basis van zijn beginselen onderwijs te (doen) geven. Vanuit het perspectief van de grondwetgever bepaalt het rechtssubject zelf wat zijn beginselen zijn. De betekenis van de term richting wordt derhalve bepaald door het rechtssubject, in de zin van een collectief.
Anders dan de Grondwet kan in overige wetgeving en jurisprudentie een zekere afbakening van het begrip richting worden ontwaard. Deze afbakening kan in verband worden gebracht met het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme.
Ten eerste zien we deze afbakening terug in de Leerplichtwet 1969. De wetgever van de Leerplichtwet 1969 bakent het begrip richting af door te stellen dat geen beroep op vrijstelling wegens richtingsbezwaren meer mogelijk is als een kind eenmaal op een school is ingeschreven. Dit impliceert een begrip van richting dat geen rekening houdt met bekeringen of fundamentele veranderingen in geloofsopvattingen.
Ten tweede komt deze afbakening naar voren in de jurisprudentie over de term richting. In de jurisprudentie gaat men er algemeen van uit dat het begrip richting expliciet betrekking heeft op godsdienst en levensbeschouwing. Meer specifiek is in de jurisprudentie over het leerlingenvervoer bepaald dat er pas sprake is van richting indien een geestelijke stroming: doorwerkt op alle terreinen van het leven en zich breed in de maatschappij bekend heeft gemaakt (geopenbaard). De invulling van deze criteria bepaalt de rechter vervolgens op grond van een objectiverende kwalificatiewijze: Hij beoordeelt of iets een richtingsbezwaar is op grond van de statuten van de betreffende scholen of op grond van het landelijke BRIN-register. In de jurisprudentie over de leerplicht is de term zo geïnterpreteerd dat het alleen ziet op een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Deze aanscherping maakt het voor de rechter mogelijk om onduidelijke geloofs- en levensbeschouwelijke opvattingen niet te erkennen als richting in de zin van richtingsbezwaar. Hierbij kan men aantekenen dat de term ‘welbepaald’ een vage term is die de rechter de ruimte geeft om richtingsbezwaren niet als zodanig te erkennen. Overigens komt de kwalificatie als ‘richtingsbezwaar’ in de jurisprudentie nauwelijks aan de orde omdat de rechter het bezwaar in nagenoeg alle gevallen laat stranden op procedurele voorwaarden.
Ten slotte is de term richting in de jurisprudentie over het oprichten van bijzondere scholen zo gedefinieerd dat er pas sprake kan zijn van richting indien de richting voldoende onderscheidend is van bestaande richtingen. Deze aanscherping is waarschijnlijk ingegeven door de gedachte dat men moet voorkomen dat er scholen worden opgericht waarvoor te weinig interesse bestaat. Een nieuwe school van dezelfde richting als een nabij gelegen school levert immers het gevaar op dat de nieuwe school concurreert met het aanbod van leerlingen van de oude school. Verder zijn in de jurisprudentie over de oprichting van het bijzonder onderwijs zeer concreet bepaalde geestelijke stromingen als richting gekwalificeerd. Daarbij ging men uit van de voorwaarden aan de term richting gesteld zoals we die in het voorgaande hebben besproken.
De objectiverende uitleg van het begrip godsdienst in het kader van de richtingsvrijheid van het bijzonder onderwijs kan worden begrepen vanuit het perspectief dat past bij het ideaaltype van het liberaal gezindtepluralisme en dat uitgaat van tolerantie enkel ten opzichte van de traditionele in Nederland gevestigde tradities en dat geen ruimte biedt voor afwijkende opvattingen. Alleen welbepaalde, fundamentele, voldoende onderscheidende en godsdiensten met een omvangrijke achterban kunnen binnen dit perspectief gelden als richting. Bovendien houdt dit perspectief geen rekening met de mogelijkheid dat een persoon een religieuze bekering of verandering in opvattingen doormaakt.