De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.6.3:6.6.3 De ontvankelijkheid in een enquêteprocedure bij een insolvente vennootschap
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/6.6.3
6.6.3 De ontvankelijkheid in een enquêteprocedure bij een insolvente vennootschap
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS383682:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ondernemingskamer 22 september 2008, ARO 2008/156, JOR 2009/36, RO 2008/81 (Friesland Vlees).
Ondernemingskamer 14 april 2010, ARO 2010/63, JOR 2010/185 m.nt. Bartman, ROR 2010/10 (Meavita). Hetzelfde overweegt de Ondernemingskamer ten aanzien van het vereiste dat een vereniging of stichting een onderneming (in de zin van de WOR) in stand moet houden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als een vennootschap in betalingsmoeilijkheden verkeert, kan de situatie zich voordoen dat al het personeel is ontslagen voordat de vakbond in de gelegenheid is de enquêteprocedure te starten. De vraag wordt opgeworpen of de vakbond in een dergelijk geval ontvankelijk is, nu art. 2:347 BW vereist dat de vakbond in de onderneming van de vennootschap werknemers telt. In de zaak-Friesland Vlees is dit standpunt door de vennootschap ingenomen.1 De Ondernemingskamer heeft deze echter onbeantwoord gelaten, omdat het verzoek toch – op andere gronden – zou worden afgewezen. Op het moment dat het verzoek werd ingediend, waren bij Friesland Vlees nog wel werknemers, zodat de ontvankelijkheid van de vakbond mijns inziens geen probleem had kunnen opleveren. Sprengers wijst er in zijn noot bij deze uitspraak op dat dan nog de vraag bestaat of het onderzoek zich kan uitstrekken over de periode na de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten. Deze vraag moet zijns inziens bevestigend beantwoord worden, omdat het bekritiseerde beleid juist heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomsten. Dit was ook een van de redenen die ten grondslag lagen aan het verzoek van de vakbond.
In de zaken omtrent het concern van stichtingen Meavita, beantwoordt de Ondernemingskamer de ontvankelijkheidsvraag wel. De Ondernemingskamer overweegt: “een redelijke en op de praktijk toegesneden wetsgeschiedenis die recht doet aan de aard en de strekking van het enquêterecht brengt mee dat aan de hier bedoelde voorwaarde van art. 2:347 BW is voldaan indien de desbetreffende vakvereniging ten tijde van de (eventueel) te onderzoeken gedraging(en) leden onder de bij de te onderzoeken rechtspersoon werkzame personen telde en dit, zoals in casu moet worden aangenomen, ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek niet langer het geval is.”2 Deze benadering lijkt mij juist, omdat het enquêterecht van vakbonden anders illusoir zou worden. Uit hierboven aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad volgt juist dat het faillissement niet in de weg hoeft te staan aan een enquêteprocedure.