Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.4.2:18.3.1.4.2 Heffingsvragen van FIOD-ambtenaren tijdens verhoor
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/18.3.1.4.2
18.3.1.4.2 Heffingsvragen van FIOD-ambtenaren tijdens verhoor
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495970:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin: Jansen 1999, p. 190. Schrijver noemt als beginselen in het strafprocesrecht het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het verbod van détournement de pouvoir, het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en het motiveringsbeginsel.
Zie § 18.3.2 hierna.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In theorie, en zeker niet gebruikelijk, kunnen fiscaal opsporingsambtenaren tijdens strafrechtelijk verhoor gebruik maken van de aan hen toegekende inlichtingenbevoegdheid ex art. 47, lid 1, onder a AWR ten dienste van de belastingheffing. Wanneer vragen aan de verdachte op deze grondslag steunen en niet betrekking hebben op diens betrokkenheid bij een strafbaar feit, dan staat voor die vragen geen beroep op het strafrechtelijk zwijgrecht open. Vgl. de situatie waarin een directeur-grootaandeelhouder wordt verhoord in verband met een verdenking wegens onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en vragen worden gesteld over zijn (onverdachte) inkomstenbelastingpositie.
Invloed beginselen van behoorlijke opsporing
De algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op de opsporing.1 In de strafvorderlijke sfeer zijn opsporingsambtenaren wel gebonden aan beginselen van behoorlijke opsporing, die het resultaat zijn van de doorwerking van het bestuursrecht c.q. de beginselen van behoorlijk bestuur, in het strafprocesrecht.2 Het stellen van heffingsvragen tijdens strafrechtelijk verhoor kan met één of meer beginselen in strijd komen, zoals het verbod van détournement de pouvoir. Bijvoorbeeld in situaties waarin vragen omtrent de betrokkenheid bij een strafbaar feit en heffingsvragen door elkaar heen worden gesteld en de verdachte daardoor in onzekerheid komt te verkeren over het hem toekomende strafrechtelijk zwijgrecht. De mogelijkheid dat een dergelijke situatie zich voordoet, is in zoverre reëel, nu de cautie enkel bij aanvang van het verhoor moet worden gegeven.3