Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/7.4.2.5.2
7.4.2.5.2 Toelichting en rechtvaardiging
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS971885:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 1 april 2011, ARO 2011/64 (SenseMakers), r.o. 3.12, waarin de Ondernemingskamer in haar oordeel meeweegt dat een aandeelhouder “geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid te verschijnen in de algemene vergadering van aandeelhouders, de gelegenheid bij uitstek voor het verkrijgen door een aandeelhouder van informatie over de gang van zaken van een vennootschap”.
Vgl. de conclusie van A-G Timmerman bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. P. van Schilfgaarde (ASMI), par. 3.6.6.
Zie onder meer Van den Hoek 1998, p. 7 e.v.; en Hof Amsterdam (OK) 1 april 2011, ARO 2011/64 (SenseMakers), r.o. 3.12. Vgl. Assink 2009, p. 46 en Kamerstukken II 2001/2002, 28 179, nr. 3 (MvT), p. 7, over de wens van de wetgever om de functie van de aandeelhoudersvergadering als forum voor informatie-uitwisseling te verbeteren door middel van de invoering van het agenderingsrecht. Zie echter de kritische noot in Bowley, Hill & Kourabas 2023, p. 12, waar het ziet op de aandeelhoudersvergadering in beursvennootschappen. Zie in gelijke zin vanuit Nederlands perspectief bijvoorbeeld Verdam 2004; en Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 207 onder d.
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 15 december 2020, JOR 2021/178 m.nt. P.L. Hezer (Multihulp), r.o. 3.11, waarin de Ondernemingskamer de ernst van de schending van een informatierecht lijkt te nuanceren omdat de verzoekende aandeelhouder ervan heeft afgezien een due diligence-onderzoek te verrichten, en dus eerdere (vrijwillige) toegang tot informatie van de vennootschap heeft afgewezen. Zie ook mijn noot bij deze beschikking, par. 10 en 11.
Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat de aandeelhouder zich niet eerder bewust was van het belang van bepaalde informatie en er daarom ook niet eerder om heeft gevraagd. Nieuwe informatie kan bijvoorbeeld een nieuw licht werpen op bepaalde transacties of balansposten. Ook is denkbaar dat de verlangde informatie kan worden verkregen op een wijze die weliswaar minder belastend is voor de vennootschap, maar onevenredig belastend zou zijn voor de aandeelhouder. Denk bijvoorbeeld omdat de aandeelhouder de informatie dan te laat zou ontvangen of omdat daar voor de aandeelhouder hoge kosten aan zijn verbonden terwijl de vennootschap de betreffende informatie met een enkele muisklik kan delen.
In dit gezichtspunt komt tot uiting dat een aandeelhouder in beginsel geen recht heeft op informatie van de vennootschap. Een informatierecht vormt een uitzondering op deze hoofdregel. Van een aandeelhouder mag derhalve worden verwacht dat hij redelijke – en voor de vennootschap minder belastende – alternatieven benut. Laat hij dit na, dan komt dit voor zijn eigen rekening.
Het voorgaande is bijvoorbeeld geïllustreerd in SenseMakers. Uit deze beschikking volgt dat een aandeelhouder die nalaat zijn recht op inlichtingen ter vergadering te benutten, nadien niet zonder meer buiten vergadering aanspraak zal kunnen maken op de betreffende informatie die hij ter vergadering had kunnen verkrijgen.1 Die uitkomst komt mij billijk voor. Vanuit het perspectief van de vennootschap, is het recht op inlichtingen immers in het algemeen minder belastend dan een informatierecht buiten vergadering. Zo heeft informatieverstrekking ter vergadering een collectief karakter: de vennootschap kan dan in één keer (mondeling) de benodigde informatie verstrekken, in plaats van verschillende losse informatieverzoeken van individuele aandeelhouders te beantwoorden. Op die manier wordt de vennootschap minder belast doordat informatieverzoeken van individuele aandeelhouders worden voorkomen.2 De aandeelhoudersvergadering wordt niet voor niets gezien als het gremium bij uitstek voor informatie-uitwisseling tussen de vennootschap en haar aandeelhouders.3
Waarom geen harde subsidiariteitstoets, waarbij informatieverstrekking door de vennootschap in voorkomende gevallen kan uitblijven? Het enkele feit dat een aandeelhouder ook alternatieven ter beschikking heeft of heeft gehad, doet op zichzelf genomen nog geen afbreuk aan het belang van de aandeelhouder bij de betreffende informatie.4 Daarbij komt dat er goede redenen kunnen zijn waarom de beschikbare alternatieven niet zijn of worden benut.5 In dergelijke gevallen dreigt een onbillijke uitkomst indien informatieverstrekking wordt geweigerd met een enkele verwijzing naar die alternatieven. Ook kan dit leiden tot onnodige en formalistische discussies over beschikbare alternatieven.