Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/
Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378564:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De aanduiding Lastpak is van Westbroek (1991), p. 17 e.v.
Slagter wierp in zijn Compendium (2005), p. 567, de vraag op wie niet kon dulden. Mijns inziens is dat de vennootschap, zij kan objectief gezien niet langer geconfronteerd blijven met de schade die optreedt aan haar belang. Het is een enigszins gekunstelde gedachte, omdat de aandeelhouder de vordering instelt. Dit geeft een extra reden om te bezien of een andere uitstotingsnorm voorhanden is, zie § 111.4.
Zie het voorbeeld bij Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 2: leidt de uitstoting van een aandeelhouder tot beëindiging van een belangrijk licentiecontract, dan brengt de redelijkheid mee dat afwijzing (meer) in het belang van de vennootschap is. Ook het instellen van de uitstotingsvordering kan in strijd met de redelijkheid (van art. 2:8 BW) zijn.
De norm voor uitstoting ligt besloten in het eerste lid van art. 2:336 BW: door het gedrag van de aandeelhouder wordt het vennootschappelijk belang zodanig geschaad, dat zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld. Deze norm valt uiteen in drie elementen. Het eerste ziet op het gedrag van `Lastpak'.1 Welke soort gedragingen geeft aanleiding tot uitstoting? Hierbij is van belang dat niet ieder gedrag toewijzing van de vordering meebrengt. Onverenigbaarheid van karakter is niet voldoende. In dit eerste element keert de restrictie uit de wetsgeschiedenis terug. Het gaat namelijk om het gedrag 'in hoedanigheid van aandeelhouder'. Het volgende element is het belang waaraan zodanige schade wordt toegebracht, het vennootschappelijk belang. Tot slot kent de uitstotingsnorm een belangenafweging ofwel een redelijkheidstoets. Het aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet langer geduld worden.2
Over dit laatste element kan ik kort zijn. De redelijkheidstoets veronderstelt een door de rechter te maken belangenafweging. Hij onderzoekt of het belang van de uit te stoten aandeelhouder (om aandeelhouder te blijven) opweegt tegen het vennootschappelijk belang, dat met zijn uitstoting gediend zou zijn. Hierbij moet de rechter bedenken dat de uit te stoten aandeelhouder een prijs voor zijn aandelen ontvangt. Een compensatie voor het verlies van zijn aandelen is bij de procedure inbegrepen en kan dus niet bij de afweging een rol spelen. Prevaleert desondanks en ondanks de schade die de aandeelhouder toebrengt aan het belang van de vennootschap toch zijn eigen belang, dan moet hij aandeelhouder kunnen blijven.3
De andere twee normen behoeven een uitgebreidere bespreking.