Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/5.3.2
5.3.2 Aansprakelijkheid van de toetredende vennoot
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390634:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Het ontbreken van duidelijkheid hieromtrent werd in 1972 al opgemerkt door Van der Grinten 1972, p. 1095.
HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, RO 2015/33 (Carlande Dienstverlening C.V.).
Waarvoor de Hoge Raad verwijst naar HR 24 april 1970, ECLI:NL:HR:1970:AC5021.
Zie ook Slagter/Assink 2013, p. 2007: de toetreder kan voor ‘onbekende’ schulden (intern) gevrijwaard worden.
Zo ook Rb. Arnhem 21 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB4560, r.o. 3.3.6: hij kan zich de mogelijkheid van regres op de overige vennoten voorbehouden.
Zo ook Blanco Fernández in zijn noot bij Rb. Rotterdam 14 april 2004, JOR 2004/159, m.nt. J.M. Blanco Fernández.
Zo ook Rb. Alkmaar 18 april 1957, NJ 1957/542 en Slagter/Assink 2013, p. 2007.
Koster 2005; Rb. Arnhem 21 september 2007, ECLI:NL:RBARN:2007:BB4560, r.o. 3.3.6.
Zo ook Hof Arnhem 18 december 1990, ECLI:NL:GHARN:1990:AD1309, NJ 1992/518; Hof Arnhem 14 september 1999,JOR 2000/48; de wenk bij Rb. Rotterdam 9 september 2009, ECLI:NL:RBROT:2009:BK6803, RO 2010/23; Hof ’s-Gravenhage 17 november 1949 respectievelijk 29 juni 1950, NJ 1951/124.
Ook over de vraag of een toetredende vennoot aansprakelijk wordt voor de al bestaande, dus voor zijn toetreden ontstane, schulden van de VOF werd lange tijd verschillend gedacht.1 Op 13 maart 2015 heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven en geoordeeld dat een toetreder (extern) aansprakelijk wordt voor bestaande schulden.2 In deze zaak ging het om een later tot een CV toegetreden beherend vennoot, die door een schuldeiser van de CV was aangesproken voor schulden die betrekking hadden op de periode van voor zijn toetreden. De Hoge Raad heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd ten eerste dat een beherend vennoot van een CV op grond van art. 19 WvK jo. art. 18 WvK hoofdelijk verbonden is ‘wegens de verbindtenissen der vennootschap’ en dat in art. 18 WvK geen beperking valt te lezen tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Ten tweede brengt ook de strekking van genoemde artikelen volgens de Hoge Raad mee dat de hoofdelijke verbondenheid alle schulden betreft die ten tijde van toetreding tot de vennootschap bestaan of nadien ontstaan. De hoofdelijke verbondenheid beoogt immers de schuldeisers van een VOF of CV te beschermen in een situatie waarin het afgescheiden vennootschapsvermogen ontoereikend is om aan alle verbintenissen van de vennootschap te voldoen, door hun een verhaalsmogelijkheid te geven op het vermogen van de (beherend) vennoten zelf. Ten derde wijst de Hoge Raad, voor zover het betreft een CV, op de aansprakelijkheid van stille vennoten die het beheersverbod van art. 20 lid 2 WvK overtreden. Ook de vennoot die dat verbod overtreedt wordt (op grond van art. 21 WvK) hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden en verbintenissen van de vennootschap, inclusief die verbintenissen die zijn ontstaan vóór zijn toetreden.3 Ten vierde dient de gegeven uitleg de rechtszekerheid, omdat niet onderzocht hoeft te worden of een vennoot op het moment van ontstaan van de schuld al vennoot was en dus of hij aansprakelijk is. Dat bestaande schuldeisers er door de toetreding een verhaalsmogelijkheid bij krijgen, leidt niet tot een ander oordeel, nu de hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit uit de wet. De toetredende vennoot kan vóór zijn toetreden inzage verlangen in de schuldenpositie van de VOF, garanties bedingen4 en afspraken maken over draagplicht.5
In het bijzonder het eerste en het vierde argument maken dat ik het oordeel van de Hoge Raad gelukkig vind. Art. 18 WvK, dat bepaalt dat hoofdelijk aansprakelijk is 1) de vennoot 2) voor verbintenissen van de vennootschap, maakt immers geen uitzondering voor nieuwe vennoten en/of voor oude schulden.6 Van een wederpartij bij een duurovereenkomst kan daarnaast niet verlangd worden dat hij steeds bijhoudt wie op welke vervaltermijn van een verbintenis vennoot was.7 Relevant is mijns inziens ook dat de toetredende vennoot profiteert van de bestaande overeenkomsten én inspraak krijgt in de wijze waarop het vennootschapsvermogen, dat dient als verhaalsobject voor de zaakscrediteuren, wordt aangewend. De aanvaarding door de Hoge Raad dat nieuwe vennoten aansprakelijk worden voor oude schulden schept dus duidelijkheid (en draagt daarmee bij aan de rechtszekerheid).8
Overigens ging het ingetrokken Wetsvoorstel personenvennootschappen er vanuit dat een toetredende vennoot niet aansprakelijk werd voor reeds bestaande schulden, omdat er geen deugdelijke grond zou zijn aan te wijzen voor een binding van rechtswege aan verbintenissen bij de totstandkoming waarvan hij niet betrokken is geweest. Ik meen dat deze grond er wel is, en wel in art. 18 WvK. Door toe te treden tot een bestaande vennootschapsovereenkomst, aanvaardt de toetreder ook de daarmee gepaard gaande lusten en lasten.
Tot slot merk ik op dat wie bang is voor ‘lijken in de kast’ met de zittende vennoten een nieuwe VOF kan aangaan, waarna de zittende vennoten hun bestaande VOF ontbinden. De nieuwe vennoot is dan nooit vennoot geweest in de oude VOF, waardoor hij (behoudens bijvoorbeeld gewekte schijn) ook niet aansprakelijk is voor de schulden van deze oude VOF.9