Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/5.3.1
5.3.1 Aansprakelijkheid van de uittredende vennoot
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388272:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Scholten 1927, p. 106; Asser/Maeijer 5-V 1995/264; Huizink 2011, p. 74.
Vgl. HR 8 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2646,NJ 1998/888 (Boterenbrood/MeesPierson).
Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 1983, ECLI:NL:GHSHE:1983:AC7989, NJ 1984/263.
Hof ’s-Hertogenbosch 5 september 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8213, RO 2006/9.
Hof ’s-Hertogenbosch 16 september 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:3642, RO 2015/4.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 17 april 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8479, RO 2013/47 waarin de kantonrechter heeft geoordeeld dat het enkele feit dat de wederpartij op de hoogte was van het uittreden en daarna niet te kennen had gegeven dat hij de uitgetreden vennoot nog steeds aansprakelijk hield, onvoldoende is om de wederpartij de mogelijkheid te ontzeggen om de uitgetreden vennoot nog langer aan te spreken.
Rb. Zeeland-West-Brabant 17 april 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ8479, r.o. 3.7, RO 2013/47.
Geciteerd door Wachter en Timmerman in WPNR 1986/5807, p. 735, in hun bespreking van Hof ’s-Hertogenbosch 19 mei 1983, ECLI:NL:GHSHE:1983:AC7989, NJ 1984/263.
Ktr. Tilburg 18 januari 1990, ECLI:NL:KTGTIL:1990:AI8229, Prg. 1990/3218.
Hof Amsterdam 20 april 1989, ECLI:NL:GHAMS:1989:AD0719, NJ 1990/201.
Hof Amsterdam 20 april 1989, ECLI:NL:GHAMS:1989:AD0719, NJ 1990/201. Zo ook Rb. Rotterdam 24 juni 1932, W 12 542.
Van Veen 2005, p. 161 en 168.
Rb. Utrecht 3 oktober 1984, ECLI:NL:RBUTR:1984:AB8513, NJ 1985/730.
Van Vliet 1987, p. 291.
Huizink 2011, p. 74.
Een vennoot die uittreedt, blijft aansprakelijk voor vóór zijn uittreden ontstane schulden, want niemand kan zich eenzijdig aan zijn verplichtingen onttrekken.1 De uitgetreden vennoot die wordt aangesproken heeft in beginsel een regresvordering op de VOF en de vennoten; de zaaksschulden zullen immers al de waarde van de economische deelgerechtigdheid hebben gedrukt.2 Over de vraag of een gewezen vennoot aansprakelijk is voor ná zijn uittreden ontstane schulden uit vóór zijn uittreden gesloten (duur)overeenkomsten, zijn rechtspraak en literatuur verdeeld.
Bevestigend antwoordde het Hof ’s-Hertogenbosch in drie zaken. In 1983 oordeelde dit Hof dat een uitgetreden vennoot aansprakelijk is voor verbintenissen die voortvloeien uit rechtshandelingen die zijn verricht toen hij vennoot was, maar die nadien nog voortduren, zoals duurcontracten.3 Die aansprakelijkheid is beperkt tot ‘de gevolgen welke een normale en regelmatige nakoming der contracten met zich brengt’; een eventuele latere verzwaring van de aansprakelijkheid raakt hem dus niet. In 2006 bepaalde het Hof ’s-Hertogenbosch dat een gewezen vennoot hoofdelijk aansprakelijk bleef voor de vennootschappelijke schulden die voor de inschrijving van zijn uittreden in het handelsregister waren aangegaan, ook al was hij op het moment van aangaan van de overeenkomst al uitgetreden.4 In dit laatste geval had de vennoot overigens wel zijn handtekening onder het desbetreffende contract gezet en was hij, voordat de wederpartij haar handtekening zette en de overeenkomst dus tot stand kwam, uitgetreden zonder dat de wederpartij daarvan op de hoogte was. In 2014 ten slotte oordeelde hetzelfde Hof dat een uittreder in beginsel aansprakelijk blijft voor bedragen die na zijn uittreden verschuldigd zijn geworden op grond van een voordien gesloten duurovereenkomst, tenzij er omstandigheden aanwezig zijn die leiden tot een ander oordeel.5 In het onderhavige geval was van dergelijke omstandigheden in elk geval geen sprake, nu de schuldeiser niet op de hoogte was gesteld van het uittreden en de verplichtingen uit de overeenkomst niet waren verzwaard. Daarmee is echter niet gezegd dat deze omstandigheden voldoende zouden zijn voor ontslag uit aansprakelijkheid.6 Ook de Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het uittreden van een beherend vennoot van een CV niet zijn aansprakelijkheid beëindigt voor termijnen die voortvloeien uit overeenkomsten die zijn gesloten of verlengd in de periode dat hij vennoot was.7 Reeds lang geleden stelde Molengraaff: ‘Het ware voor een vennoot wel gemakkelijk, indien hij aanvaarde verplichtingen van zich af kon wentelen, door uit te treden; Nederlands recht is dat niet.’8
Ontkennend is de vraag beantwoord door de Kantonrechter Tilburg en het Hof Amsterdam. De Kantonrechter Tilburg overwoog in 1990 dat een uitgetreden vennoot niet aansprakelijk is voor huurtermijnen die na zijn uittreding zijn verschenen, dat de hiervoor genoemde uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch van 19 mei 1983 onvoldoende steun vindt in de wet én dat een andere opvatting tot het onaanvaardbare resultaat leidt dat de uitgetreden vennoot tot in lengte van dagen kan worden achtervolgd met nieuwe aanspraken van de verhuurder.9 Volgens een door het Hof Amsterdam in 1989 gewezen arrest eindigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van een gewezen vennoot voor na zijn uittreden ontstane verbintenissen uit een opzegbare duurovereenkomst die was gesloten tussen de VOF en de gemeente, en waarbij dus de VOF contractspartij was, in elk geval niet voordat de wederpartij (dus de gemeente) van het uittreden in kennis is gesteld.10 De wederpartij mag namelijk in het algemeen persoonlijk bericht van het uittreden verwachten, zodat hij zich kan uitlaten over de al dan niet voortzetting van de overeenkomst met de in samenstelling gewijzigde tegenpartij.11 Van Veen meent dat de uittreder in beginsel niet aansprakelijk is voor nieuwe verbintenissen die ontstaan na (inschrijving van) zijn uittreden, maar dat, gelet op de jurisprudentie, kan zijn vereist dat vaste relaties wel persoonlijk op de hoogte worden gebracht.12
De Rechtbank Utrecht oordeelde in 1984 dat een vennoot na zijn uittreden op zichzelf genomen aansprakelijk blijft voor later openvallende termijnen uit een eerder gesloten duurovereenkomst, maar vraagt zich wel af of het redelijk is als een wederpartij, die van het uittreden op de hoogte is of behoort te zijn, hem na een onredelijk lange termijn nog aanspreekt tot betaling.13 Aan beantwoording van deze vraag komt de rechtbank niet toe. Van Vliet stelt dat een uittreder aansprakelijk blijft voor verplichtingen uit een duurovereenkomst totdat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de wederpartij van hem niet langer kan vergen dat hij aansprakelijk blijft.14 Wanneer dit is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, de aard van de relatie en bijvoorbeeld het op de hoogte raken van het uittreden. In beginsel zal aansprakelijkheid moeten eindigen op het moment waarop het contract zou zijn geëindigd als het regelmatig was opgezegd op het moment dat de wederpartij van het uittreden op de hoogte is (of wordt geacht te zijn) geraakt, tenzij anders is afgesproken. Huizink15 overweegt met betrekking tot duurcontracten dat een vennoot enerzijds een mogelijkheid moet hebben om van nieuwe verplichtingen af te komen, maar dat de kredietwaardigheid van deze vennoot anderzijds heel belangrijk voor de wederpartij kan zijn geweest. Een billijke oplossing is volgens hem dat als de wederpartij, nadat zij op de hoogte is gesteld van het uittreden en met inachtneming van een redelijke termijn, het contract onverminderd voortzet, zij geacht moet worden de overeenkomst met de VOF in gewijzigde samenstelling te willen voortzetten en dat de gewezen vennoot dan niet gebonden raakt aan nieuwe verbintenissen. Dit lijkt mij de meest juiste en aanvaardbare oplossing. De wederpartij die de uitgetreden vennoot ook aan nieuwe verbintenissen wil houden, zal dit mijns inziens duidelijk moeten maken, waarna eventueel opnieuw onderhandeld kan worden over de contractsvoorwaarden.
Ingeval een wederpartij die van het uittreden niet op de hoogte is (gebracht) een schuld heeft aan de VOF geldt dat zij deze mijns inziens bevrijdend aan een gewezen vennoot kan betalen, ook al is de uittreding al ingeschreven in het handelsregister. Van een duurzame relatie kan immers niet verwacht worden dat zij voor iedere betaling steeds het handelsregister raadpleegt. Tot de wederpartij op de hoogte is, is er mijns inziens dan ook sprake van een ‘redelijke grond’ als bedoeld in art. 6:34 BW waarop hij heeft aangenomen dat de (inmiddels gewezen) vennoot tot in ontvangstneming van de betaling gerechtigd was.
Wordt een lopend contract overgenomen volgens art. 6:159 BW, bijvoorbeeld door een nieuwe vennootschap, dan gaan op de nieuwe contractspartij alle rechten en verplichtingen over. Hieronder vallen volgens art. 6:159 lid 2 BW ook bijkomstige en reeds opeisbaar geworden rechten en verplichtingen, tenzij met betrekking tot deze rechten en verplichtingen anders is bepaald. De gewezen vennoten zijn na de contractsovername dus niet meer aansprakelijk voor uit dat contract voortvloeiende schulden, tenzij anders is bepaald.