Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.3.3.2
7.3.3.2 Nea
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603365:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2.1 Wm.
https://www.emissieautoriteit.nl/over-de-nea/organisatie (geraadpleegd op 26 januari 2017).
https://www.emissieautoriteit.nl/over-de-nea/organisatie (geraadpleegd op 26 januari 2017), zulks vloeit ook voort uit de artikelen 2.3 jo 2.2 jo hoofdstuk 16 en 18 Wm jo artikel 1 Wzbo.
Artikel 2.7 Wm.
MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 47 en 48.
MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 46 en 47.
Zie over de koppeling tussen het ETS en het Kyotoprotocol in de periode 2013-2020: Thurlings 2015b.
Artikel 19 jo artikel 65 Verordening (EU) 389/2013.
Zie in dit kader ook Commissie Kohnstamm (2004), p. 31-33. Zie ook Zijlstra 1997, p. 152-162.
Artikel 16 Wzbo.
Het bestuur van de NEa is voor een groot deel immers afhankelijk van de informatie-voorziening door deze ambtenaren.
Stb. 2011, nr. 586.
MvT, Kamerstukken II 2003/04, 29565, nr. 3, p. 52 en 53.
Artikel VIII van de wet van 30 september 2004, Stb. 2011, nr. 511.
Een overzicht van de ontwikkelingen voordat het bestuur van de NEa uiteindelijk de status van zelfstandig bestuursorgaan kreeg: Stb. 2011, nr. 586.
Kamerstukken II 2007/08, 29565 en 30694, nr. 22, i.h.b. p. 2.
Zo viel het kabinet-Balkenende IV in 2010, waarna de brief van de Minister door de vaste Kamercommissie VROM in de Tweede Kamer controversieel werd verklaard (zo valt af te leiden uit de toelichting in Stb. 2011, nr. 586). De status van zbo werd bij besluit van 29 november 2011 per 1 januari 2012 aan het bestuur van de NEa verleend (Stb. 2011, nr. 586).
Zie in dit kader ook Commissie Kohnstamm (2004), p. 31 en 32.
Namelijk op die gebieden waar wel hiërarchische ondergeschiktheid van het bestuurs-orgaan ten opzichte van de Minister zou bestaan. Niet uitgesloten is dat een Minister dan via een zijweg alsnog invloed tracht uit te oefenen.
Hierboven reeds behandeld.
Artikel 21 Wzbo. Zie voor het belang van deze bevoegdheid vanuit de gedachte van democratische controle: Zijlstra 1997, p. 123-125.
Immers, in de besluitvorming kan alleen worden ingegrepen in geval van ernstige taakverwaarlozing (artikel 23 Wzbo), of wat betreft het functioneren van bestuursleden, in geval van ongeschiktheid, onbekwaamheid of andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen (artikel 12 lid 2 Wzbo). Besluiten kunnen voor het overige worden vernietigd door de Minister (artikel 22 Wzbo).
Vgl. Zijlstra 1997, p. 104 en Commissie Kohnstamm (2004), p. 23.
Vgl. Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 296-298 en Commissie Scheltema (1993), p. 7. Anders: Van Angeren 1996, p. 367-375. Hij stelt dat volledige verantwoordelijkheid van de Minister gewenst is, en het beperken van de ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het bestuur door het op afstand plaatsen van bestuurstaken onwenselijk is. Hij geeft daarbij verschillende voorbeelden waarbij ministeriële verantwoordelijkheid belangrijk is bij bepaalde gedragingen van het bestuur. Al deze gedragingen zijn evenwel te kwalificeren als ‘ongeschiktheid, onbekwaamheid of andere zwaarwegende in de persoon van de betrokkene gelegen redenen’ om het bestuurslid te ontslaan overeenkomstig artikel 12 lid 2 Wzbo, dan wel om in te grijpen op grond van de taakverwaarlozingsregeling van artikel 23 lid 1 Wzbo of besluiten te vernietigen op grond van artikel 22 Wzbo. De bezwaren van Van Angeren tegen een beperking van de ministeriele verantwoordelijkheid bij de oprichting van een zelfstandig bestuursorgaan zijn voor wat betreft het bestuur van de NEa hiermee dan ook ondervangen. Bovendien kan tegen de redenering van Van Angeren, dat met de ministeriële verantwoordelijkheid een volledige bevoegdheid van de Minister gepaard moet gaan, bezwaar worden gemaakt. Met Bovend’Eert en Kummeling ben ik van mening dat de ministeriële verantwoordelijkheid de democratische controle verwezenlijkt. Deze democratische controle staat voorop, en dient te waarborgen dat al het bestuurshandelen van de regering en het bestuursapparaat kan worden gecontroleerd door het parlement (Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 297). Door het bevoegdhedenkader van de Wzbo ten opzichte van het bestuur van de NEa is deze controle gegarandeerd. Overigens hebben ook andere auteurs zich verzet tegen de inperking van de ministeriële verantwoordelijkheid door bestuurstaken op afstand te plaatsen. Zie bijvoorbeeld Belinfante & De Reede/Dragstra e.a. 2015, p. 176 en 177. Zij wijzen erop dat zelfs met de ministeriële verantwoordelijkheid die is verzekerd met de Wzbo, ‘de wetgever de nodige behoedzaamheid behoort te betrachten bij het creëren van zelfstandige bestuursorganen, omdat de mogelijkheid van parlementaire controle daardoor toch afneemt’. Mijns inziens is aan dit uitgangs-punt bij het oprichten van het bestuur van de NEa voldaan.
Met Zijlstra ben ik van mening dat deze mogelijkheid tot het vragen van inlichtingen moet worden gezien als een fundamenteel onderdeel van de democratie controle op zelfstandige bestuursorganen (Zijlstra 1997, p. 118).
De NEa is gevestigd te Den Haag1 en heeft de status van een baten-lastendienst, ofwel agentschap.2 Het bestuur van de emissieautoriteit is een zelfstandig bestuursorgaan.3 Aan het bestuur van de NEa worden ambtenaren van het Ministerie van I&M ter beschikking gesteld,4 maar deze ressorteren dus onder het Ministerie van I&M.5 De autonomie van het bestuur van de NEa blijft in zoverre dus beperkt tot haar eigen bestuurstaken die door de wet zijn toegekend.
De regering verdedigde de oprichting van een zelfstandig bestuursorgaan in de Memorie van Toelichting bij de implementatiewet met een beroep op het belang van de deskundigheid en onafhankelijkheid van het zelfstandige bestuursorgaan. De deskundigheid die noodzakelijk is voor het toezicht op de uitvoering van het ETS is mijns inziens niet een afdoende argument voor de. oprichting en instandhouding van een zelfstandig bestuursorgaan. Immers, het Ministerie I&M heeft deze deskundigheid reeds zelf in huis, zoals met name blijkt uit de terbeschikkingstelling van ambtenaren van het I&M aan het bestuur van de NEa.
Vanuit de gedachte van onafhankelijkheid is de oprichting en instandhouding van het bestuur van de NEa evenwel zeer goed verdedigbaar. De oprichting van het bestuur van de NEa werd mede verdedigd vanuit de positie van de Nederlandse regering in het kader van onder meer deelname aan het Kyotoprotocol, en de mogelijke eigen wens deel te nemen aan de emissiehandel onder het ETS.6 Wat betreft het Kyotoprotocol gaan de argumenten van de regering niet meer op voor de huidige handelsperiode. Immers, emissies die worden gedekt door het ETS vallen onder de verantwoordelijkheid van de EU binnen de gezamenlijke uitvoering van het Kyotoprotocol door de EU, de lidstaten en IJsland.7 Het optreden van de Nederlandse regering onder het Kyotoprotocol heeft in zoverre dus geen invloed op een eventuele rol als toezichthouder van de Minister in het ETS. Het argument tot een deelname aan de handel in emissierechten onder het ETS speelt nog wel een rol. Immers, de Nederlandse Staat is bevoegd een rekening te openen in het ETS-register en met andere personen in emissierechten te handelen.8 Hierdoor heeft de Staat dus een financieel belang bij de handel in emissierechten, en is de oprichting van een onafhankelijke toezichthouder zeer goed verdedigbaar. 9Bovendien is alleen het optreden van het bestuur van de NEa in het kader van het toezicht op de emissiehandel verzelfstandigd van de Minister. De NEa is immers een agentschap binnen het Ministerie van I&M. Voor zover het dus niet het optreden van het bestuur van de NEa betreft, is de Minister in beginsel ten volle verantwoordelijk. Wel valt het optreden van de ambtenaren die ter beschikking zijn gesteld aan het bestuur van de NEa, voor zover deze optreden ter opsporing van overtredingen of anderszins ten behoeve van besluitvorming van het bestuur van de NEa, buiten het gezag en dus de directe verantwoordelijkheid van de Minister.10 Dit is echter ook noodzakelijk. Immers, zou de Minister geacht worden over deze ambtenaren zeggenschap te hebben, dan zou de onafhankelijke besluitvorming van het bestuur van de NEa alsnog in het geding komen.11
Interessant is dat het bestuur van de NEa pas per 1 januari 2012 als zelfstandig bestuursorgaan is gaan opereren.12 In de Memorie van Toelichting op de implementatiewet werd gesteld dat eerst aan een aantal organisatorische eisen moest worden voldaan vooraleer het bestuur van de NEa een zelfstandig bestuursorgaan zou worden. Tot dat moment zou het fungeren als onderdeel van het ministerie van VROM, onder de verantwoordelijkheid van de Minister VROM. Bevoegdheden zouden door attributie aan de (directeur van) de NEa in oprichting worden toegekend.13 Het een en ander was uiteindelijk voorzien in een overgangsregeling.14 Maar vervolgens werd op basis van de motie-De Krom en Samson,15 het instellen van het bestuur van de NEa als zelfstandig bestuursorgaan uitgesteld.16 Uiteindelijk werd na een evaluatie van nut en noodzaak van het bestuur van de NEa alsnog besloten tot instelling van het bestuur van de NEa als zelfstandig bestuursorgaan. Belangrijke reden was de onafhankelijkheid van een zelfstandig bestuursorgaan. Nederland zou namelijk per 1 januari 2008 actief worden op de handelsmarkt en toegang krijgen tot het Register waarin alle transacties zijn vastgelegd.17 Per brief van de Minister VROM aan de Tweede Kamer werd bekend gemaakt dat het bestuur van de NEa per 1 januari 2010 de status van zelfstandig bestuursorgaan zou worden verleend.18 Om politieke redenen werd uiteindelijk de status van zelfstandig bestuursorgaan pas per 1 januari 2012 verleend.19 Deze politieke redenen voor uitstel nemen echter niet weg dat er goede redenen waren, en zijn, tot instelling van het bestuur van de NEa als zelfstandig bestuursorgaan, zoals hierboven reeds is uitgewerkt.
Het model dat voor de instelling van het bestuur van de NEa is gekozen past voor een groot deel binnen de eerste variant voor onafhankelijkheid die door de Commissie Kohnstamm wordt voorgesteld.20 In deze variant worden bestuurstaken alleen voor zover een onafhankelijke besluitvorming dient te worden gewaarborgd, ondergebracht bij een autonoom opererend bestuursorgaan. Verschil is wel dat de variant van de Commissie Kohnstamm voorstelde alleen voor deze specifieke taken een bestuursorgaan dat ressorteert onder de Minister, en dus niet zelfstandig is, een zelfstandige bevoegdheid te geven. In het kader van het ETS is evenwel toch gekozen voor een zelfstandig bestuursorgaan. Mijns inziens moet hier ook de voorkeur aan worden gegeven. Immers, als een bestuursorgaan ressorterend onder de Minister alleen voor specifieke ETS-toezichtstaken een zelfstandige bevoegdheid had gekregen, en verder nog onder het gezag van de Minister zou vallen, dan zou een zekere afhankelijkheidsrelatie toch nog bestaan.21 Door de status van een zelfstandig bestuursorgaan is het bestuur van de NEa in staat volledig onafhankelijk van de Minister te opereren. Alleen in zeer bijzondere gevallen, afgekaderd door de Wzbo, kan er worden ingegrepen in het functioneren van het bestuur.22 De Minister kan wel beleidsregels opstellen, waarmee dus de beleidsvrijheid van het bestuur van de NEa kan worden ingeperkt. 23Over de band van de ministeriële verantwoordelijkheid bestaat er dus ook nog een zekere democratische controle vanuit het parlement, zij het dat deze wel gereduceerd wordt tot beleidsmatige en financiële controle en voor het overige in ‘border control’.24 Overigens moet daarbij ook worden opgemerkt dat de Minister kan worden aangesproken wanneer de Kamer vindt dat de Minister over te weinig bevoegdheden ten opzichte van het bestuur van de NEa beschikt. De vraag kan dan gesteld worden waarom de Minister niet heeft voorgesteld extra controlebevoegdheden in wetgeving voor te stellen.25 Mijns inziens moet hiermee worden geoordeeld dat er voldoende bevoegdheden bestaan voor de Minister om het doel van democratische controle, over de band van de ministeriële verantwoordelijkheid, te verwezenlijken.26 Daarbij zij er tevens op gewezen dat de Minister inlichtingen kan vragen aan het bestuur van de NEa, die op haar beurt verplicht is die inlichtingen te geven. Op die manier zijn de Kamers der Staten-Generaal dus ook in staat zich volledig op de hoogte te stellen van het functioneren van het bestuur van de NEa,27 en zo nodig de Minister te dwingen gebruik te maken van de aan haar toekomende bevoegdheden, dan wel om wetgeving voor te stellen die dergelijke bevoegdheden creëren.