Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/6.3.1.3.a
6.3.1.3.a De initiatiefrechtclausule
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649614:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Timmermans 2012, p. 660; Timmermans 2018, p. 533; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 59 en nr. 615.
Timmermans 2012, p. 660.
Nowak 2017, p. 231.
Nowak 2017, p. 231.
Bij deze variant gaat het dus altijd om onderwerpen die tot de besluitvormingsbevoegdheid van de algemene vergadering behoren. Dat hoeft bij initiatiefrechtclausules van de andere variant (welke dus geen bestaansrecht hebben) niet het geval te zijn. Zie ook Nowak 2017, p. 227, voetnoot 7.
Nowak 2017, p. 231.
Nowak 2017, p. 231.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 59.
Timmermans 2012, p. 661; In gelijke zin De Jongh 2014, p. 457; Abma e.a. 2017, p. 93-94; De Brauw 2017, p. 90.
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.8.
Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 59. Zie ook Nowak 2020, p. 243.
Verderop in deze paragraaf ga ik in op de vraag wanneer een oligarchische clausule is toegestaan.
Die in de praktijk bij beursvennootschappen ook veel voorkomt, zie Hezer & Kemp 2019a, p. 32-33.
Hezer & Kemp 2019a en Hezer & Kemp 2019b. Anders: Garcia Nelen 2020, p. 235 (m.n. voetnoot 300).
In gelijke zin De Brauw 2019, p. 528, Garcia Nelen 2020, p. 302. Anders Nieuwe Weme 2019, p. 269. Het betoog van De Brauw dat het bestuur ook zonder dat in de statuten een initiatiefrechtclausule staat, een voorstel tot statutenwijziging slechts als bespreekpunt zou moeten kunnen agenderen als met het voorstel geprobeerd wordt een beschermingsconstructie af te doen breken, volg ik niet (zie De Brauw 2019, p. 528-529).
Zie over de uitleg van statutaire bepalingen Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 181 t/m nr. 183.
HR 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:652, JOR 2018/142 m.nt. Leijten (Boskalis/Fugro), r.o. 3.3.6.
In gelijke zin Garcia Nelen 2020, p. 302-303.
Zie voor enkele vermeldingsperikelen rondom de agendering van een (bindende) voordracht par. 2.2.2.4.c.
Mogelijk anders Timmermans 2018, p. 14 waar hij schrijft: “In aanvulling op dit voordrachtsrecht (dat van art. 2:133/243 BW, EB) kunnen de statuten ook bepalen dat besluiten van de algemene vergadering tot schorsing of ontslag van bestuurders en commissarissen slechts kunnen worden genomen op voorstel van het orgaan waaraan het bindend voordrachtsrecht toekomt (...)”. Op p. 532 schrijft hij echter: “Omgekeerd blijkt uit art. 2:134 lid 1 BW dat besluiten tot ontslag en schorsing van een bestuurder te allen tijde moeten kunnen geschieden door – in geval van een gewone vennootschap – de algemene vergadering. Uit de literatuur blijkt dat uit de woorden ‘te allen tijde’ afgeleid kan worden dat deze bevoegdheid van de algemene vergadering niet kan worden ingeperkt.”
In gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 417 onder f; Assink/Slagter 2013, nr. 432.
Zie par. 6.3.1.1.
Zie hierover Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019, nr. 229 met verdere verwijzingen.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019, nr. 229.
Bij de BV is een bezoldigingsbeleid niet verplicht, zie art. 2:245 BW.
In elk geval bij beursvennootschappen komt dit in de praktijk zelden of nooit voor. Zie Lokin 2018, p. 482.
Kamerstukken I 2009/10, 31 877, E (Nadere MvA), p. 3-4.
Principe 3.1 NCGC sluit hier ook bij aan, nu hierin wordt gesteld dat de rvc verantwoordelijk is voor het formuleren van het beloningsbeleid (en de implementatie daarvan). Zie voor het verschil tussen bezoldiging en beloning Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 197 met verdere verwijzingen.
Behoudens de mogelijkheid van statutenwijziging.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019, nr. 361.
Asser/Van Olffen & Rensen 2-IIa 2019, nr. 188 onder b.
Kamerstukken II 2009/10, 31 058, 28 (Brief van de Minister van Justitie), p. 2.
Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 551 onder a.
Initiatiefrechtclausules strekken ertoe te voorkomen dat aandeelhouders trachten te bereiken dat de algemene vergadering besluiten neemt die niet de steun genieten van het bestuur en de rvc.1 Anders gezegd: ze proberen agenderings- en convocatierechten te neutraliseren.2 Van de initiatiefrechtclausule zijn twee varianten te onderscheiden. Bij de eerste variant staat in de statuten dat (bepaalde) onderwerpen alleen op initiatief van het bestuur (en/of de rvc) op de agenda kunnen worden geplaatst. Deze variant is in strijd met het wettelijke agenderingsrecht.3 Met het wettelijke agenderingsrecht kunnen kapitaalverschaffers immers elk onderwerp (dat verband houdt met de vennootschap of de aan haar verbonden onderneming) op de agenda doen plaatsen. Bepalingen van dit type komen dan ook bijna niet (meer) voor.4 Bij de tweede variant is in de statuten bepaald dat een besluit van de algemene vergadering uitsluitend kan worden genomen op voorstel van een ander (meestal het bestuur of de rvc).5 Over de vraag of dit type initiatiefrechtclausule in strijd is met het wettelijke agenderingsrecht, zijn, in elk geval voor zover het beursvennootschappen betreft, de meningen verdeeld. Nowak meent dat sprake is van strijd, want de clausule “maakt het aandeelhouders onmogelijk om een onderwerp dat tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoort, ter besluitvorming te agenderen.”6 Hij wijst er daarbij op dat de in art. 6 Aandeelhoudersrichtlijn genoemde voorwaarden die aan het agenderingsrecht mogen worden gesteld limitatief zijn,7 en ziet dat met de initiatiefrechtclausule een niet toegestane voorwaarde wordt gecreëerd. Van Solinge & Nieuwe Weme zitten op eenzelfde lijn. Zij schrijven:
“In verband met de strekking van de EU-Aandeelhoudersrichtlijn zoals blijkend uit onder meer de preambule (nr. 7), kan worden afgeleid dat een agenderingsgerechtigde aandeelhouder het recht heeft onderwerpen (die tot de bevoegdheid van de algemene vergadering behoren) ter besluitvorming te doen agenderen als aan de in art. 6 EU-Aandeelhoudersrichtlijn genoemde vereisten is voldaan. De opsomming van vereisten in art. 6 EU-Aandeelhoudersrichtlijn is naar onze mening limitatief in die zin dat de statuten geen andere of zwaardere vereisten mogen stellen.”8
Timmermans acht de bepaling niet in strijd met het agenderingsrecht omdat, zo begrijp ik hem, de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer het onderwerp alsnog wel als bespreekpunt kan laten agenderen.9 Bij dit standpunt is de onderliggende gedachte dat de Aandeelhoudersrichtlijn niet beoogt de nationale bevoegdheidsverdeling nader te regelen.10 Anders gezegd: als vóór de implementatie van de richtlijn de algemene vergadering een bepaalde bevoegdheid heeft ten aanzien waarvan in de statuten kan worden bepaald dat deze bevoegdheid slechts op initiatief van een ander kan worden uitgeoefend, dan geldt na de implementatie van de richtlijn nog precies hetzelfde. Daaruit volgt dat als in de statuten is bepaald dat de betreffende bevoegdheid enkel op initiatief van die ander kan worden uitgeoefend, de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer, ook na de implementatie van de richtlijn, niet met recht kan verlangen dat het onderwerp van de bevoegdheid ter stemming wordt geagendeerd. Hij kan het onderwerp wel ter bespreking laten agenderen. Van Solinge & Nieuwe Weme schrijven hierover:
“Op deze redenering valt het een en ander af te dingen. De EU-Aandeelhoudersrichtlijn laat de nationale wettelijke bevoegdheidsverdeling intact. Zij beoogt echter naar onze mening niet statutaire inperkingen van de wettelijke bevoegdheidsverdeling intact te laten, indien door die inperkingen de werking van de EU-Aandeelhoudersrichtlijn wordt belemmerd.”11
Naar mijn mening wordt door een initiatiefrechtclausule de werking van de Aandeelhoudersrichtlijn niet beperkt, mits de clausule op grond van het Nederlandse recht is toegestaan.12 Onderdeel van de Nederlandse wettelijke bevoegdheidsverdeling (welke dus door de richtlijn intact wordt gelaten) is immers dat sommige bevoegdheden van de algemene vergadering in de statuten aan beperkingen kunnen worden onderworpen. Als voorbeeld noem ik de bevoegdheid tot statutenwijziging. Uit art. 2:121/231 lid 2 BW volgt dat de bevoegdheid tot statutenwijziging in de statuten kan worden beperkt. De bepaling dat de statuten uitsluitend op voorstel van het bestuur en/of de rvc gewijzigd kunnen worden, is een voorbeeld van een dergelijke beperking.13
Hezer en Kemp constateren dat er, met het oog op de proportionaliteit, discussie over kan bestaan of deze clausule (thans nog wel) toelaatbaar is.14 Hoewel ik mij goeddeels in hun kritiekpunten kan vinden, ga ik er vooralsnog vanuit dat de clausule is toegestaan.
Bevatten de statuten de genoemde beperking, dan kan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht verlangen dat zijn voorstel tot statutenwijziging ter stemming in de agenda wordt opgenomen.15
Waarbij ik opmerk dat het wel nodig is dat in de statuten is bepaald dat de statuten ‘uitsluitend’ of ‘slechts’ op voorstel van het bestuur en/of de rvc gewijzigd kunnen worden. Is enkel bepaald dat de statuten gewijzigd kunnen worden op voorstel van het bestuur en/of de rvc (dus zonder dat er ‘uitsluitend’ of ‘slechts’ staat), dan heeft die bepaling in beginsel niet het effect dat de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet (langer) met recht kan verlangen dat zijn voorstel tot statutenwijziging ter stemming wordt geagendeerd. De omstandigheden van het geval (zoals het type vennootschap) kunnen evenwel tot een andere, minder objectieve, uitleg van de statutaire bepaling nopen.16
De agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer kan alsnog wel met recht verlangen dat zijn voorstel tot statutenwijziging ter bespreking wordt geagendeerd. Wat voor de bevoegdheid tot het besluiten tot een statutenwijziging geldt, geldt ook voor de bevoegdheid tot het besluiten tot fusie, splitsing en omzetting: als in de statuten is bepaald dat de statuten slechts gewijzigd kunnen worden op voorstel van het bestuur, kan een agenderingsgerechtigde niet met recht verlangen dat een voorstel tot fusie, splitsing of omzetting ter stemming wordt geagendeerd (zie art. 2:334m lid 3 BW, art. 2:317 lid 3 BW en art. 2:18 lid 2 BW).
Te meer niet nu de Hoge Raad in Boskalis/Fugro overwoog dat voor zover bevoegdheden omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie toekomen aan het bestuur, de uitoefening van die bevoegdheden samenvalt met het bepalen van het beleid en de strategie van de vennootschap.17 De bevoegdheid voorstellen te doen tot statutenwijziging, fusie, splitsing of omzetting is een bevoegdheid omtrent de inrichting van de (vennootschappelijke) organisatie die in dit geval op grond van de statuten exclusief toekomt aan het bestuur. De uitoefening van die bevoegdheid valt aldus samen met het bepalen van het beleid en de strategie. Ten aanzien van dat laatste kunnen agenderingsgerechtigden geen stemming verlangen, en dus hoeft het bestuur ook om deze reden het verzoek om een stemming niet te honoreren.
Bepalend is mijns inziens dus of de wet toestaat dat in de statuten wordt bepaald dat de bevoegdheid alleen kan worden uitgeoefend op voorstel van het bestuur en/of de rvc.18 Als dat het geval is, is er geen probleem. Het ligt anders als de wet niet toestaat dat in de statuten wordt bepaald dat de bevoegdheid in kwestie alleen kan worden uitgeoefend op voorstel van het bestuur en/of de rvc. Bevatten de statuten ten aanzien van een dergelijke bevoegdheid toch een initiatiefrechtclausule dan moet deze voor niet geschreven worden gehouden. De agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer kan in dat geval ‘gewoon’ met recht verlangen dat het onderwerp waar de bevoegdheid op ziet ter stemming wordt geagendeerd.
Of de wet ten aanzien van een bepaalde bevoegdheid van de algemene vergadering een initiatiefrechtclausule toestaat, is niet steeds eenvoudig te beoordelen. Wat betreft de bevoegdheid tot statutenwijziging (en fusie, splitsing en omzetting) is duidelijk dat het kan. In art. 2:121/231 lid 2 BW staat immers expliciet dat de bevoegdheid tot statutenwijziging kan worden beperkt. Een andere bevoegdheid die (feitelijk) aan een initiatiefrechtclausule onderworpen kan worden, is de bevoegdheid tot benoeming van bestuurders en commissarissen. In de statuten kan namelijk worden bepaald dat de benoeming van bestuurders en commissarissen geschiedt uit een voordracht (art. 2:133/243 lid 1 (jo art. 2:142/252 lid 2) BW). Een dergelijke statutaire bepaling kan zo worden geredigeerd dat op de voordracht enkel door het bestuur en/of de rvc geselecteerde personen kunnen staan. Alsdan kan naar mijn mening een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht verlangen dat over de benoeming van een door hem voorgedragen persoon wordt gestemd.19
Een voorbeeld van een bevoegdheid die niet aan een initiatiefrechtclausule kan worden onderworpen, is de bevoegdheid te besluiten over de schorsing of het ontslag van een bestuurder. In de wet staat immers dat als de algemene vergadering bevoegd is tot benoeming, de algemene vergadering “te allen tijde” bevoegd is bestuurders te schorsen en te ontslaan (art. 2:134/244 lid 1 BW). Met deze zinsnede verdraagt zich niet een statutaire bepaling op grond waarvan bestuurders slechts op voorstel van het bestuur of een ander (orgaan) kunnen worden ontslagen.20 Hoewel in het wetsartikel dat gaat over de schorsing en het ontslag van commissarissen (art. 2:144/254 lid 1 BW) de woorden ‘te allen tijde’ ontbreken, moet worden aangenomen dat ook een commissaris te allen tijde kan worden geschorst of ontslagen door degene die bevoegd is tot benoeming. Aldus is ook ten aanzien van deze bevoegdheid een initiatiefrechtclausule niet toegestaan.21 Het voorgaande geldt in gelijke zin voor de bevoegdheid tot het opheffen van de schorsing van een bestuurder, indien de bestuurder door de rvc is geschorst (art. 2:147/257 lid 2 BW). Ook die bevoegdheid heeft de algemene vergadering blijkens de wettekst te allen tijde, waardoor een initiatiefrechtclausule niet mogelijk is.
Een andere bevoegdheid die niet aan een initiatiefrechtclausule kan worden onderworpen is de bevoegdheid tot intrekking van aandelen. Ten aanzien van deze bevoegdheid bevat de wet immers geen enkele indicatie dat een initiatiefrechtclausule mogelijk is (zie art. 2:99/208 BW). Naar mijn mening moet daarom worden aangenomen dat op dit punt een initiatiefrechtclausule niet is toegestaan.
Overigens speelt de vraag over de toelaatbaarheid van een initiatiefrechtclausule niet bij de inkoop van eigen aandelen. Bij de BV is immers het bestuur op grond van art. 2:207 BW bevoegd te besluiten tot de inkoop van eigen aandelen. Dat brengt met zich dat bij de BV een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht kan verlangen dat een van hem afkomstig voorstel tot inkoop van eigen aandelen ter stemming wordt geagendeerd.22 Voor de NV is bepaald dat inkoop van eigen aandelen slechts kan plaatsvinden indien en voor zover de algemene vergadering het bestuur daartoe heeft gemachtigd, en dat de statuten de inkoop van eigen aandelen kunnen uitsluiten of beperken (art. 2:98 lid 4 BW). De door het bestuur benodigde machtiging moet worden begrepen als een vereiste toestemming van de algemene vergadering.23 Dit betekent dat het bestuur statutair niet geheel buiten spel kan worden gezet en dat in de statuten niet kan worden bepaald dat de algemene vergadering geheel zelfstandig over de inkoop van eigen aandelen zou kunnen besluiten.24 Hieruit volgt dat ook bij de NV de agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht kan verlangen dat zijn voorstel tot inkoop van eigen aandelen ter stemming wordt geagendeerd.
Wat betreft de bevoegdheid tot vaststelling van het bezoldigingsbeleid meen ik het volgende. De NV heeft een bezoldigingsbeleid dat door de algemene vergadering wordt vastgesteld (art. 2:135 lid 1 BW).25 Dit brengt met zich dat een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer met een eigen voorstel voor een bezoldigingsbeleid kan komen en de vaststelling daarvan in beginsel ter stemming kan laten agenderen.26 Maar kan nu in de statuten worden bepaald dat het bezoldigingsbeleid (slechts) op voorstel van de rvc wordt vastgesteld door de algemene vergadering?27 Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat dat kan. Ik citeer de minister:
“De vaststelling van het bezoldigingsbeleid geschiedt op basis van een voorstel dat in de praktijk wordt opgesteld door de raad van commissarissen (vgl. principe III.5 en best practice bepaling III.5.10 van de Nederlandse corporate governance code voor beursvennootschappen). Als de aandeelhouders het niet eens zijn met het voorstel, kunnen zij afzien van vaststelling van het bezoldigingsbeleid. Zij kunnen in dat geval via het agenderingsrecht voorstellen doen om tot een nieuw bezoldigingsbeleid te komen (bespreekpunt). Aandeelhouders kunnen echter geen besluit afdwingen met voorbijgaan van het orgaan dat door de vennootschap is aangewezen om het bezoldigingsbeleid op te stellen.”28
Uit het citaat blijkt onomwonden dat de statuten van een NV kunnen bepalen dat het bezoldigingsbeleid slechts op voorstel van de rvc wordt vastgesteld. Alsdan kan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet langer verlangen dat het door hem opgestelde bezoldigingsbeleid ter stemming wordt geagendeerd.
Overigens kan voor vennootschappen met een notering aan een gereglementeerde markt ook in art. 2:135a lid 3 (jo art. 2:187) BW een aanwijzing worden gevonden waaruit blijkt dat een initiatiefrechtclausule hier mogelijk is. In het genoemde artikellid staat dat de ondernemingsraad, indien ingesteld, in de gelegenheid wordt gebracht om over het bezoldigingsbeleid advies uit te brengen aan “het orgaan belast met het doen van een voorstel”. In de wet wordt er dus vanuit gegaan dat het altijd een orgaan (de rvc) is dat een voorstel voor het bezoldigingsbeleid doet.29
De bevoegdheid tot vaststelling van de bezoldiging van individuele bestuurders is een bevoegdheid die in de statuten aan een ander orgaan dan de algemene vergadering (de rvc) kan worden toegekend (art. 2:135 lid 4/245 lid 1 BW). Met het oog daarop lijkt het mij ook mogelijk om in de statuten te bepalen dat de vaststelling van de bezoldiging van de bestuurders door de algemene vergadering slechts kan geschieden op voorstel van de rvc. Hetzelfde geldt ten aanzien van de emissiebevoegdheid bij de BV. Ook deze bevoegdheid kan in de statuten aan een ander orgaan worden geattribueerd (art. 2:206 lid 1 BW), en dus aan een initiatiefrechtclausule worden onderworpen. Bij de NV kan de emissiebevoegdheid naar mijn mening niet aan een initiatiefrechtclausule worden onderworpen. Uit het gegeven dat de algemene vergadering van een NV tijdelijk een ander orgaan als emissiebevoegd kan aanwijzen (art. 2:96 lid 1 BW), kan niet worden afgeleid dat het mogelijk is de emissiebevoegdheid van de algemene vergadering permanent30 aan een initiatiefrechtclausule te onderwerpen.
Een andere bevoegdheid ten aanzien waarvan een initiatiefrechtclausule bij de BV wel, maar bij de NV niet mogelijk is, is de bevoegdheid tot uitsluiting of beperking van het voorkeursrecht. In art. 2:96a lid 6 BW is geen enkel aanknopingspunt te vinden waaruit kan worden opgemaakt dat een initiatiefrechtclausule zou zijn toegestaan, terwijl in art. 2:206a BW staat dat het voorkeursrecht, telkens voor een enkele uitgifte, kan worden beperkt of uitgesloten bij besluit van de algemene vergadering, voor zover de statuten niet anders bepalen. De statuten van de BV kunnen dus een ander orgaan aanwijzen dat bevoegd is het voorkeursrecht te beperken of uit te sluiten.31 Als dat mogelijk is, is het ook mogelijk om in de statuten te bepalen dat de algemene vergadering het voorkeursrecht enkel op voorstel van een ander orgaan kan uitsluiten of beperken. Alsdan kan een agenderingsgerechtigde kapitaalverschaffer niet met recht verlangen dat zijn voorstel tot beperking of uitsluiting van het voorkeursrecht ter stemming wordt geagendeerd.
Zowel bij de NV als bij de BV kan de bevoegdheid tot winstbestemming worden onderworpen aan een initiatiefrechtclausule. Voor de BV blijkt dit met zoveel woorden uit de wet. De laatste zin van art. 2:216 lid 1 BW luidt: “De statuten kunnen de bevoegdheden bedoeld in de eerste zin [de bevoegdheid tot bestemming van de winst en de bevoegdheid tot vaststelling van uitkeringen, EB] beperken of toekennen aan een ander orgaan.” Hoewel dit voor de NV niet is bepaald, zie ik met Van Olffen & Rensen niet in waarom dit voor de NV anders zou zijn.32 Er zij er daarbij op gewezen dat volgens de minister kan worden uitgegaan van enige reflexwerking van de Wet Flex-BV voor de NV. Dat geldt met name daar waar het destijds vernieuwde BV-recht een verduidelijking bevat die ook voor de NV-regeling nuttig kan zijn.33 Maar zelfs als hier geen reflexwerking moet worden aangenomen, geldt mijns inziens alsnog dat ook bij de NV ten aanzien van de bevoegdheid tot winstbestemming een initiatiefrechtclausule mogelijk is. In art. 2:105 lid 1 BW staat dat voor zover bij de statuten niet anders is bepaald, de winst de aandeelhouders ten goede komt. Naar mijn mening kan een statutaire afwijking van het wettelijke uitgangspunt inhouden dat de algemene vergadering bevoegd is te besluiten over de winstbestemming, maar uitsluitend op voorstel van het bestuur.
Tot slot de bevoegdheid tot het verlenen van opdracht tot onderzoek van de jaarrekening. De wet bepaalt dat de algemene vergadering bevoegd is de opdracht te verlenen, en dat de aanwijzing van een accountant door generlei voordracht wordt beperkt (art. 2:393 lid 2 BW). Dit laatste betekent niet dat er geen aanbeveling voor de aanwijzing mag worden gedaan.34 Een (bindende) voordracht is evenwel ontoelaatbaar. Hieruit volgt dat de bevoegdheid tot aanwijzing van een accountant niet aan een initiatiefrechtclausule kan worden onderworpen.