Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/5.3
5.3 De toepasselijkheid van het gezag van gewijsde in de enquêteprocedure
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197021:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233 (Ogem), r.o. 5.
Die partijen hebben de gelegenheid benut om invloed uit te oefenen op de beslissing door hun standpunt naar voren te brengen, vgl. nr. 163. Vgl. ook nr. 165. Voor de enquêteprocedure zie 2.4.
J.M.M. Maeijer, annotatie bij HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem). Hij werpt tegen de veronderstelde uitleg bezwaren op.
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, ARO 2005/68 (Laurus), r.o. 3.8. De overweging betreft het recht op bewijslevering.
Zie uitvoeriger over de uitspraken van de Hoge Raad inzake Ogem en Laurus: Wezeman 2010.
[167] De Hoge Raad heeft in de zaak Ogem geoordeeld over het bindend karakter van de vaststelling door de Ondernemingskamer dat van wanbeleid is gebleken.1 Het oordeel houdt in dat partijen, die in de enquêteprocedure zijn verschenen en – kort gezegd – zich hebben uitgelaten over een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid, aan die vaststelling gebonden zijn.2 Dit oordeel leidde tot de veronderstelling, dat aan de feiten die de Ondernemingskamer in de tweede fase vaststelt en aan het op grond van die feiten geconstateerde wanbeleid gezag van gewijsde toekomt in andere procedures.3 Bij die andere procedures werd in het bijzonder gedacht aan individuele contradictoire aansprakelijkheidsprocedures tegen leden van organen van de rechtspersoon. In de zaak Laurus werd een en ander verduidelijkt.4 De vaststelling dat van wanbeleid is gebleken bindt weliswaar degenen die in de tweede fase zijn verschenen, maar die vaststelling impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de betrokken organen. De door de Ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vast tussen de partijen die in de tweede fase van de enquêteprocedure zijn verschenen.5
Geconcludeerd kan worden dat het gezag van gewijsde in de tweede fase beperkt is tot het oordeel dat van wanbeleid is gebleken en dat de overwegingen van de Ondernemingskamer niet (zonder meer) gezag van gewijsde hebben. Over de toepasselijkheid van het gezag van gewijsde in de eerste fase van de enquêteprocedure is daarmee overigens geen uitsluitsel gegeven.