Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.4.2
6.4.2 Europese ontwikkelingen
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS384586:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Mededeling van de Europese Commissie aan het Europese Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s ‘Action Plan: European company law and corporate governance – a modern legal framework for more engaged shareholders and sustainable companies’ van 12 december 2012, COM (2012) 740/2. Zie hierover Overkleeft 2013a en J.N. Schutte-Veenstra & M. Verbrugh, ‘Actieplan 2012 van de Commissie betreffende Corporate Governance en Europees vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2013, 69.
Mededeling van de Europese Commissie ‘Europe 2020: A strategy for smart, sustanabile and inclusive growth’ van 3 maart 2010, COM (2010) 2010 def.
Zie bijvoorbeeld het EU Action Plan 2012, p. 3: ‘The financial crisis has revealed that significant weaknesses in corporate governance of financial institutions played a role in the crisis.’
Zie het rapport van de Reflection Group on the Future of EU Company Law van 5 april 2011 (bron:
Europese Commissie, ‘Green Paper on Corporate Governance in Financial Institutions and Remuneration Policies’, 2 juni 2010, COM (2010) 284 def.
Europese Commissie, ‘Green Paper on the EU Corporate Governance Framework’, 5 april 2011, COM (2011) 164 def. Zie hierover M.J. van Ginneken, ‘Het Groenboek Corporate Governance’, Ondernemingsrecht 2011, 81 en Ch.F. van der Elst & E.P.M. Vermeulen, ‘Corporate Governance 2.0: assessing the Corporate Governance Green Paper of the European Commission’, European Company Law 2011, p. 165-174.
Zie http://ec.europa.eu/internal_market/consultations/docs/2010/governance/feedback_statement_en.pdf (financiële instellingen) en http://ec.europa.eu/internal_market/company/docs/modern/20111115-feedback-statement_en.pdf (corporate governance).
Zie voor een overzicht M.L. Lennarts & J. Roest, Europees vennootschapsrecht: waar staan we en waar moeten we naar toe?, preadvies Vereeniging Handelsrecht 2012, Deventer: Kluwer 2012, p. 1-60. Zie voorts kritisch J.N. Schutte-Veenstra & M.A. Verbrugh, ‘Openbare raadpleging over de toekomst van het Europese vennootschapsrecht; een kritische bespreking’, Ondernemingsrecht 2012, 136.
Zie over dit voorstel W.B. Kuijpers, ‘Voorstel Europese Commissie wijziging richtlijn aandeelhoudersrechten’, Ondernemingsrecht 2014, 89.
Over verschillende onderdelen van het richtlijnvoorstel is (nog) geen politiek akkoord tussen de Europese Commissie en het Europees Parlement bereikt. Ook heeft het Europees in juli 2015 bij amendement een aantal nieuwe onderwerpen in de discussies rond het richtlijnvoorstel geïntroduceerd, zoals ‘country-by-country’-reporting door multinationale beursondernemingen. Hierover in kort bestek H.J. de Kluiver & J. Barneveld, ‘Kroniek van het ondernemingsrecht: over ondernemen, maatschappelijk onbehagen en de ‘stakeholder’ als oriëntatiepunt’, NJB 2016, p. 1014-1024 op p. 1016. In december 2016 is over de concept-richtlijn een politiek akkoord bereikt tussen het Europees Parlement en het Slowaakse EU-voorzitterschap en in maart 2017 heeft het Europees Parlement met de tekst ingestemd. De Raad moet nog instemmen met het richtlijnvoorstel. Zie ‘Shareholders’ rights directive Q&A’, European Commission Fact Sheet, 14 maart 2017, MEMO 17/592.
Zie H. Koster, ‘Future of European Company Law’, Ondernemingsrecht 2016, 86 voor een verslag van een workshop over de toekomst van het ondernemingsrecht die op 14 juni 2016 vanuit het Europees Parlement was georganiseerd.
EU Action Plan 2012, p. 8.
Op Europees niveau is het EU Action Plan 2003 inmiddels vervangen door een nieuwe beleidsagenda, het EU Action Plan 2012.1 De parallellen met de voorgeschiedenis van het EU Action Plan 2003 zijn opmerkelijk. Ook het EU Action Plan 2012 is vooraf gegaan door een nieuw geformuleerde groei- agenda van de EU in de vorm van de Europa 2020-strategie2 en van momentum voorzien door de financiële crisis en de daaruit voortkomende perceptie van een failure of governance bij financiële instellingen.3 Het intellectueel fundament was dit keer afkomstig van de zogeheten Reflection Group die op 5 april 2011 haar rapport over de toekomst van het Europese ondernemingsrecht presenteerde,4 terwijl de Europese Commissie zelf in twee groenboeken uit 2010 (corporate governance bij financiële instellingen)5 en 2011 (het ‘EU Corporate Governance Framework’)6 de lijnen van haar toekomstig beleid uiteenzette. Beide groenboeken werden vervolgens in consultatie gegeven, waarna de Europese Commissie voor elk groenboek een afzonderlijk feedback statement publiceerde.7 Nadat eind 2011 het feedback statement voor het EU Corporate Governance Framework was gepubliceerd, lanceerde de Europese Commissie begin 2012 een nieuwe consultatieronde, dit keer op basis van het Reflection Group rapport, waarvan de resultaten in juli 2012 bekend werden gemaakt.8 Tot slot is – net als in 2003 – ook nu weer een actieplan van de Europese Commissie het sluitstuk van al deze beschouwingen. Als eerste concrete beleidsinitiatief is in april 2014 een concept voor een richtlijn tot wijziging van de bestaande Richtlijn Aandeelhoudersrechten (2007/36 EG) gepubliceerd.9 Tot een definitieve richtlijn is het op het moment van afsluiting van dit manuscript nog niet gekomen, maar het (op punten gewijzigde) richtlijnvoorstel lijkt ondanks de nodige politieke tegenwind toch de eindstreep te gaan halen.10 Ondertussen wordt ook vanuit het Europees Parlement verder gedacht over de toekomst van het Europese ondernemingsrecht, onder meer vanuit het perspectief van digitalisering van het ondernemingsrecht.11
De onderliggende beleidsveronderstellingen aan het EU Action Plan 2012 vertonen opvallende gelijkenissen met de uitgangspunten die al aan het EU Action Plan 2003 ten grondslag waren gelegd. Zo was in het EU Action Plan 2012 het volgende beleidsuitgangspunt gedefinieerd over openbaarmakingsverplichtingen aan het adres van institutionele beleggers: “Disclosure of such information could have a positive impact on investor awareness, enable ultimate investors to optimise investment decisions, facilitate the dialogue between investors and companies, encourage shareholder engagement and could strengthen accountability to civil society.”12
De eerste twee onderdelen van de hierboven weergegeven doelstelling wijzen op een gebruiksfunctie: informatieverstrekking van vermogensbeheerders aan hun achterliggende beleggers. Onderdelen drie en vier wijzen op gewenst gedrag van institutionele beleggers. Met de transparantieverplichtingen wordt dus kennelijk ook beoogd om actief en betrokken aandeelhouderschap (stewardship) van institutionele beleggers te stimuleren. Onderdeel vijf van het hierboven weergegeven citaat berust waarschijnlijk op een verschrijving, bedoeld zal zijn het versterken van de publieke verantwoording van institutionele beleggers aan de maatschappij als zodanig. Hoe dan ook, de ratio van het voorgenomen initiatief om te komen tot aanvullende transparantieverplichtingen voor institutionele beleggers lijkt voor een belangrijk deel gelegen te zijn in het streven om institutionele beleggers te mobiliseren om een actieve rol te vervullen in het bestel van corporate governance bij beursvennootschappen. Of een prikkel via openbaarmakingsverplichtingen echter een effectief middel zal zijn om tot daadwerkelijk betrokken aandeelhouderschap te komen, valt gezien de in dit hoofdstuk beschreven eerdere ervaringen te betwijfelen.