Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/6.4.1
6.4.1 Verdere ontwikkelingen in Nederland
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS390607:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer over ontwikkelingen rondom de mogelijke overname van ABN AMRO bank van 22 mei 2007, Kamerstukken II, 2006/ 07, 31 052 nr. 1, p. 12.
Adviesrapport van de Monitoring Commissie Corporate Governance over de verhouding tussen vennootschap en aandeelhouders en over de reikwijdte van de Code van 30 mei 2007, bron:
Ter illustratie: het advies van mei 2007 besteedde uitgebreid aandacht aan het agenderingsrecht van aandeelhouders, terwijl dit onderwerp in het aan het advies voorafgaande consultatiedocument van december 2006 niet eens als zelfstandig onderwerp werd genoemd.
Kamerstukken II, 2011/12, 33 058, nrs. 1-4.
Aanvankelijk in het wetsvoorstel geïntroduceerd bij de tweede Nota van Wijziging en daarna gecorrigeerd bij de derde Nota van Wijziging van 27 oktober 2011, Kamerstukken II, 2011/ 12, 32 512, nr. 9. De regeling is oorspronkelijk voorgesteld als amendement vanuit de Tweede Kamer bij het wetsvoorstel flexibilisering B.V.-recht (31 058) in een wetgevingstechnisch nogal merkwaardige episode. Zie hierover P.J. Dortmond, M.J. Kroeze & R.G.J. Nowak, ‘De aangenomen amendementen bij de wetsvoorstellen bestuur en toezicht, flexibiliseringbv-recht, spreekrecht OR, uitvoeringswet aandeelhoudersrichtlijn en invoeringswet Titel 7.13 BW’, Ondernemingsrecht 2010, 9.
Code Banken, vastgesteld door de Nederlandse Vereniging van Banken op 9 september 2009, voorzien van een wettelijke verankering bij besluit van 1 juni 2010, Stb 2010, 215. In 2014 is een nieuwe versie van de code, de Code Banken 2, vastgesteld.
Zie het rapport ‘Verloren Krediet’ van de tijdelijke commissie onderzoek financieel stelsel (Commissie de Wit) van 10 mei 2010, Kamerstukken II, 2009/10, 31 980, nr. 4, p. 176- 201.
Code Frijns, gepubliceerd door de Monitoring Commissie Corporate Governance op 10 december 2008, voorzien van een wettelijke verankering bij besluit van 10 december 2009, Stb 2009, 545.
Wet tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet giraal effectenverkeer en het Burgerlijk Wetboek naar aanleiding van het advies van de Monitoring Commissie Corporate Governance van 30 mei 2007, wetsvoorstel van 3 augustus 2009, Kamerstukken II, 2008/09, 32 014, nrs. 1-4, ingevoerd bij Wet van 15 november 2012, Stb. 2012, 558 en in werking getreden per 1 januari 2013. Zie uitgebreid Prinsen 2011, p. 32-36.
Wet tot wijziging van Boek 2 Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête, wetsvoorstel van 27 september 2011, Kamerstukken II, 2011/12, 32 887, nrs. 1-4, ingevoerd bij Wet van 18 juni 2012, Stb. 2012, 274 en in werking getreden per 1 januari 2013. Zie M.W. Josephus Jitta, ‘Het wetsvoorstel tot wijziging van het enquêterecht’, Ondernemingsrecht 2011, 105.
Zie ook de preambule van de Code Frijns onder punt 9.
Ik schreef eerder over de samenloop van verschillende reguleringsinitiatieven met betrekking tot het agenderingsrecht, ook in het licht van de Wet aandeelhoudersrechten (31 746). Zie Overkleeft 2009.
Zie de kabinetsreactie op de Code Frijns in de brief van de Minister van Financiën aan de Tweede Kamer van 25 mei 2009, Kamerstukken II, 2008/09, 31 083, nr. 29, p. 5-6.
Hierover H.A. Sijnja, ‘Wetsvoorstel corporate governance: meldingsplicht van aandeelhouders met betrekking tot de strategie’, in M. Holtzer, A.F.J.A. Leijten & D.J. Oranje (reds.), Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2009-2010, Van der Heijden-reeks nr. 104, Deventer: Kluwer 2010, p. 177-200.
Illustratief is het voorwoord van het derde rapport over de naleving van de Code van de Monitoring Commissie (Commissie Streppel) van 10 december 2011, bron:
Zie in bezorgde zin S.F. de Beurs & G.T.M.J. Raaijmakers, ‘Rapport Monitoring Commissie Corporate Governance 2010’, Ondernemingsrecht 2011, 59. Zie ook Overkleeft 2012a en A.A. Bootsma, ‘Vierde rapport over de naleving van de Nederlandse corporate governance code: waarheen leidt de weg?’, Bb 2013, p. 93-98.
Wet van 11 december 2013, tot wijziging van boek 2 van het BW en de Wft in verband met de bevoegdheid tot aanpassing terugvordering van bonussen en winstdelingen van bestuurders en dagelijkse beleidsbepalers, Stb. 2013, 563.
Een extreme uiting van dit sentiment is de beruchte motie Van der Vliet van 16 maart 2011 over het 100% belasten van bonussen binnen de Nederlandse financiële instellingen die tijdens de kredietcrisis staatssteun hebben ontvangen, Kamerstukken II, 2010/11, 31 980, nr. 30. De motie is op 22 maart 2011 aangenomen in de Tweede Kamer.
Kenbaar uit de brief van de Minister van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 23 mei 2008 over de wijze waarop het kabinet uitvoering zou geven aan de moties Omtzigt/Weekers en Omtzigt/Kalma over bestuurdersbeloningen, Kamerstukken II, 2007/08, 31 083, nr. 20. Zie over de voorgeschiedenis van de Code best practices over bestuurdersbeloningen voorts G.T.M.J. Raaijmakers & F.G.K. Overkleeft, ‘Bestuurdersbeloning, de nieuwe Code en de kredietcrisis’, TFR 2009, p. 87-91.
Monitoring Commissie Corporate Governance Code, Voorstel tot herziening van de Nederlandse Corporate Governance Code; een uitnodiging tot commentaar, 11 februari 2016, bron:
Code Van Manen 2016. Deze code is op het moment van afronding van dit manuscript nog niet formeel aangewezen als gedragscode in de zin van artikel 2:391 lid 5 BW. Bij brief van 24 maart 2017 is namens het kabinet aangegeven dat dit wel op korte termijn zal gebeuren. Zie Brief van Minister van Economische Zaken Kamp aan de Tweede Kamer houdende kabinetsreactie op de Code van Manen van 24 maart 2017, kenmerk DGBI-O/ 17025616, te raadplegen op
Een overzicht geeft H. Koster, ‘De herziening van de Nederlandse Corporate Governance Code: enkele observaties’, WPNR 2016 (7112), p. 500-516. Kritische beschouwingen over deelonderwerpen op het gebied van strategie en lange termijn waardecreatie zijnM.C. Schouten, ‘Commissie-Van Manen bepleit langetermijnwaardecreatie, maar faciliteert onbedoeld aandeelhoudersactivisme’, Ondernemingsrecht 2016, 46, F.G.K. Overkleeft &J.H.L. Beckers, ‘Het consultatievoorstel voor een herziene Code en lange termijn waardecreatie: alleen ‘jam tomorrow’ of ook ‘jam today’?’, MvO 2016, p. 43-46, S.H.M.A. Dumoulin, ‘Het voorstel voor een nieuwe Nederlandse Corporate Governance Code: visie en strategie’,Ondernemingsrecht 2016, 69 en G.C. Makkink, ‘De code als moreel kompas: een goed idee?’, Ondernemingsrecht 2016, 71.
Dat de overnamestrijd over ABN AMRO op enige wijze zou gaan doorwerken in de Nederlandse wet- en regelgeving lag gezien de grote maatschappelijke relevantie ervan voor de hand. Nog voordat de Hoge Raad zijn beschikking had gewezen waren er naar aanleiding van de overnameperikelen al Kamervragen gesteld toegespitst op de vraag of de macht van aandeelhouders te ver was doorgeschoten. Deze vraag werd overigens op dat moment door toenmalig Minister van Financiën Bos nog ontkennend beantwoord.1 Ook het advies van de Monitoring Commissie over de verhouding tussen (beurs)vennootschap en aandeelhouders dat kort daarna verscheen2 was duidelijk beïnvloed door de recente gebeurtenissen.3 Achteraf moet worden geconstateerd dat de daadwerkelijke impact van de overname van ABN AMRO en het daardoor ingegeven maatschappelijk debat op de Nederlandse wetgevingsagenda groter is geweest dan aanvankelijk gedacht. Het gaat dan niet zozeer over implicaties in wet- en regelgeving die rechtstreeks uit de ABN AMRO-beschikking voortvloeien, maar eerder over het bredere samenstel aan gebeurtenissen in de overnamestrijd. Wetsvoorstellen op uiteenlopende onderwerpen zijn geheel of gedeeltelijk op de bredere ABN AMRO-casus terug te voeren. Te denken valt aan het wetsvoorstel tot aansprakelijkheidsbeperking DNB4 en het wetsvoorstel omtrent aanpassing en terugvordering van bestuurdersbeloningen (wetsvoorstel ‘Clawback’), in het bijzonder de regeling met betrekking tot het bevriezen van de waarde van door bestuurders gehouden opties en aandelen (voorstel artikel 2:135 lid 7 BW).5 Ook de Code Banken6 lijkt op punten door ‘lessons learned’ vanuit ABN AMRO te zijn geïnspireerd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de bepalingen over de gewenste bekendheid van de voorzitter van de RvC met de ‘sociaaleconomische en politieke cultuur en de maatschappelijke omgeving’ van de belangrijkste thuismarkten van de bank (best practice 2.1.5). Ook kwamen verschillende toezichtrechtelijke aspecten van de overname van ABN AMRO onder het vergrootglas te liggen in het kader van het onderzoek van de Commissie De Wit.7 Al met al heeft de overname van ABN AMRO dus duidelijk de nodige sporen getrokken op de wetgevings- en beleidsagenda.
Ik noem alleen de drie initiatieven die rechtstreeks raken aan de positie van aandeelhouders in beursvennootschappen, te weten (i) de herziene Code (Frijns) van december 2008;8 (ii) het wetsvoorstel ‘corporate governance’ van augustus 2009;9 en (iii) het wetsvoorstel tot herziening van het enquêterecht van september 2011.10 De twee genoemde wetsvoorstellen voorzagen onder meer in een verhoging van de kwantitatieve toegangsdrempels voor het agenderingsrecht (artikel 2:114a BW) als ook het enquêterecht (artikel 2:346 BW). De Code Frijns koos daarentegen voor een gedragsnormerende benadering. In het nieuwe principe IV.4(2) bepaalde de Code dat aandeelhouders in beursvennootschappen zich ten opzichte van de vennootschapsleiding en hun mede- aandeelhouders dienen te gedragen conform de maatstaven van redelijkheid en billijkheid.11 Hiermee benadrukte de Code Frijns specifiek voor de aandeelhouders nog eens de strekking van artikel 2:8 lid 1 BW. De Code Frijns bevatte ook een mitigerend mechanisme ten aanzien van het gebruik van het agenderingsrecht door activistische aandeelhouders, te weten de responstijd (best practices IV.4.4 en II.1.9), op grond waarvan een aandeelhouder gehouden is om eerst in overleg te treden met het bestuur alvorens zijn agenderingsrecht uit te oefenen en hij bovendien in het geval van een voornemen tot het doen van een op de strategie georiënteerd agenderingsverzoek het bestuur een redelijke termijn zou moeten geven om op dit voornemen te reageren.12 De Monitoring Commissie heeft in de Code Frijns tevens de aanbeveling aan de wetgever gedaan om de voorgestelde regeling van een wettelijke basis te voorzien. Het kabinet heeft hier echter niet aan gewild.13 In plaats van de responstijd achtte het kabinet de voorgestelde regelingen in het wetsvoorstel corporate governance – nota bene een wetsvoorstel opgesteld naar aanleiding van een eerder advies van de Monitoring Commissie zelf – over de identificatie van aandeelhouders en de verplichte standpuntbepaling van aandeelhouders ten aanzien van de strategie van de vennootschap een probater middel voor de beursvennootschap om een ‘aanval’ van een activistische aandeelhouder tegen te kunnen gaan.14
Mijns inziens is bovengenoemd verschil van inzicht illustratief voor het spanningsveld tussen de wetgever en de Monitoring Commissie. De wetgever was kennelijk sceptisch over de effectiviteit van in de Code neergelegde gedragsnormen. De Monitoring Commissie verweet de wetgever juist dat hij met de formalistische benadering zoals blijkend uit het wetsvoorstel corporate governance de verhouding tussen vennootschapsleiding en aandeelhouders juist teveel juridiseert.15 Een vraag die zich in de huidige tijd opdringt is of de politiek nog vertrouwen heeft en houdt in het instrument van de Code als geconditioneerde zelfregulering op het terrein van ondernemingsrecht voor beursvennootschappen.16 Illustratief is het besluit het kabinet en het parlement tot wettelijke codificatie van de Code best practices op het gebied van bestuurdersbeloning (II.2.10-11) in de Wet Clawback.17 Dit voornemen lijkt vooral ingegeven te zijn door het vermeend tekortschieten van zelfregulering bij het tegengaan van excessieve bestuurdersbeloningen, in het bijzonder de gehekelde ‘bonuscultuur’.18 Opmerkelijk is dat het kabinet in de zomer van 2008 juist de Monitoring Commissie had verzocht om bij de herziening van de Code – in lijn met eerdere aanbevelingen van de Monitoring Commissie – werk te maken van het onderwerp bestuurdersbeloningen.19 In 2008 koos het kabinet er bewust voor om het stellen van regels over bestuurdersbeloningen aan de Monitoring Commissie over te laten. In 2011 trok het (opvolgende) kabinet het initiatief op dit punt juist weer naar zich toe.
Op 11 februari 2016 presenteerde de Monitoring Commissie (inmiddels onder voorzitterschap van Van Manen) een consultatievoorstel voor een herziene Code.20 Op 8 december 2016 werd de definitieve tekst van de herziene Code vastgesteld.21 De nieuwe Code is ambitieus in haar doelstelling om een gezamenlijke oriëntatie op lange termijn waardecreatie tussen de vennootschapsleiding en aandeelhouders te stimuleren.22 Hiermee heeft de Commissie Van Manen nadrukkelijk beoogd om de Code (weer) relevant te laten zijn in de actuele discussie over enerzijds de noodzaak voor beursondernemingen om een op de lange termijn gerichte strategie te ontwikkelen en te verwezenlijken en anderzijds het verschijnsel van de op de korte(re) termijn gerichte prikkels die van de financiële markten waarin beursondernemingen opereren uit kunnen gaan. Tegelijkertijd is in de nieuwe Code als gegeven erkend dat de wetgever inmiddels bepaalde onderwerpen zoals bestuurdersbeloningen aan zich heeft getrokken. Het is niet ondenkbaar dat deze ontwikkeling zich in de toekomst ook bij andere onderwerpen op het gebied van corporate governance voor zal gaan doen, waardoor het zwaartepunt in de regulering meer richting – dwingendrechtelijke – wetgeving op zou kunnen schuiven. Het ligt voor de hand dat in dat geval ook de meer formalistische regelgevingstechniek van de wetgever een zwaardere stempel zal gaan drukken op de rechtsontwikkeling van het ondernemingsrecht voor beursvennootschappen dan de best practices benadering van de Code.