Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.2.4:4.2.4 Conclusies over de invloed van het klachtvereiste op de wederrechtelijkheid
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/4.2.4
4.2.4 Conclusies over de invloed van het klachtvereiste op de wederrechtelijkheid
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946211:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1901 (Deel V), p. 293.
HR 23 maart 1993, NJ 1993/722.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er zijn aanwijzingen dat de klacht relevant kan zijn voor (de vaststelling van) de wederrechtelijkheid van een gedraging. Van oudsher zijn categorieën klachtdelicten beschreven waarin de klacht een rol speelde bij de vraag of een gedraging al dan niet als strafwaardig had te gelden. De memorie van toelichting bij art. 46 van de Invoeringswet Wetboek van Strafrecht biedt deze zienswijze ruimte doordat daarin de rechter is opgedragen het klachtvereiste als een voorschrift van materieel strafrecht te beschouwen en niet als een processuele bepaling.1 Dit krijgt concreet invulling in een arrest dat de Hoge Raad in 1993 wees en waarin hij ondubbelzinnig oordeelt dat de in art. 247 Sr strafbaar gestelde gedragingen uitsluitend strafwaardig zijn indien daarvan klacht is gedaan.2 Dat de klacht een rol kan spelen bij de vaststelling van de wederrechtelijkheid van het handelen is dus duidelijk.
Dit neemt niet weg dat de klacht in de huidige Nederlandse strafrechtspleging een minimale rol speelt bij de vaststelling van de wederrechtelijkheid van een gedraging die een delictsomschrijving vervult. Het grondbeginsel dat de wetgever hanteert is dat via een klachtvereiste bij specifieke strafbepalingen voorrang wordt verleend aan het belang dat het slachtoffer kan hebben bij het uitblijven van vervolging boven het publieke belang dat is gelegen in het terechtstellen van diegene die verantwoordelijk is voor de laakbare gedraging. Door het verlenen van die voorrang staat het strafwaardige karakter van de gedraging in beginsel niet ter discussie. Uitsluitend bij een klein aantal klachtdelicten vervulde de klacht in het verleden een normerende rol, vanwege de specifieke (afwijkende) redengeving voor het klachtvereiste bij die feiten. Op dit moment bevat het strafwetboek echter geen klachtdelicten (meer ) waarbij het klachtvereiste van invloed is op de beoordeling van de materiële strafwaardigheid van de gedraging die een delictsomschrijving vervult.
Deze bevindingen zijn met name relevant voor dogmatische beschouwingen over de rechtsfiguur van het klachtdelict. Het belang voor de rechtspraktijk is beperkt, omdat het ontbreken van een klacht in de strafrechtspleging leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. De strafvervolging strandt bij gebreke aan een klacht dus bij de voorvragen van art. 348 Sv waardoor de rechter in dat geval aan de hoofdvragen van art. 350 Sv – die onder meer zien op de wederrechtelijkheid van het handelen – niet toekomt. Hoewel een praktische betekenis de bovenstaande bevindingen dus wordt ontzegd, maakt dit diezelfde bevindingen niet nutteloos. Het voorgaande draagt immers bij aan de conclusie dat het lastig is het klachtvereiste in een hokje te plaatsen. De wetgever voegt een klachtvereiste toe om het slachtoffer een stem te geven. Het geluid dat het slachtoffer kan laten horen kan een bijdrage leveren aan het oordeel over de strafwaardigheid van het handelen, maar kan ook uitsluitend zien op de vervolgbaarheid van de gedragingen die de maatschappij zonder meer afkeurenswaardig acht. Het beeld ontstaat van een diffuse rechtsfiguur, waarbij – afhankelijk van de redengeving voor het klachtvereiste – strafprocessuele of materiële elementen de boventoon voeren. Bij de huidige klachtdelicten voert het formele karakter van de klacht de boventoon, omdat de klacht bij die feiten niet van invloed is op het wederrechtelijke karakter van de gedraging die de delictsomschrijving vervult. Bij andere strafbare feiten (waarbij het klachtvereiste inmiddels is vervallen) voerde daarentegen het materiële karakter van de klacht de boventoon, omdat het al dan niet indienen van een klacht wel bijdroeg aan de beantwoording van de vraag of wederrechtelijk was gehandeld. Dit betekent dat bij deze laatste groep klachtdelicten het klachtvereiste nadere invulling geeft aan de normstelling die primair volgt uit delictsomschrijving, terwijl bij de overige klachtdelicten de norm onafhankelijk van de klacht bestaat en de klacht bij die feiten slechts een noodzakelijke voorwaarde vormt om de normschending te vervolgen.
Dan resteert de vraag of het wenselijk is de klacht in het Nederlandse strafrechtelijke systeem deze uiteenlopende functies te laten vervullen. Mijns inziens is dat niet het geval. Het komt mij onwenselijk voor dat de klacht bij bepaalde feiten een zuiver strafprocessuele functie heeft, terwijl eenzelfde klacht bij andere strafbare feiten kan bijdragen aan de materieelrechtelijke vaststelling van het bestaan van een strafbaar feit. Een eenduidige invulling van de rechtsfiguur komt de rechtspleging ten goede en verdient dan ook de voorkeur. Te meer nu er goede bezwaren zijn aan te voeren tegen de hierboven beschreven materieelrechtelijke invulling van de klacht die raakt aan de beoordeling van de wederrechtelijkheid en strafwaardigheid van een delictsomschrijving vervullende gedraging. Zo is het systematisch ongemakkelijk dat nadat een gedraging een delictsomschrijving vervult ongewis zou blijven of de gedraging wederrechtelijk is totdat een klacht is ingediend of de klachttermijn is verlopen. De vervolmaking van het delict ligt daarmee in feite niet meer in handen van de pleger van het delict, maar wordt ingegeven door een handeling die de klachtgerechtigde al dan niet nadien verricht. Daarbij voedt het gegeven dat toestemming achteraf geen rechtvaardigende werking kan hebben eveneens de gedachte dat die mogelijkheid niet via het klachtvereiste voor bepaalde strafbare feiten geïntroduceerd zou moeten worden. Hiervoor is reeds benoemd dat de acceptatie van een gedraging vooraf wezenlijk iets anders inhoudt dan het achteraf berusten in een gedraging die reeds is ondergaan. In het verlengde daarvan ligt het laatste en meest zwaarwegende argument tegen deze normerende rol voor het klachtvereiste. Niet uit het oog mag worden verloren dat een klachtgerechtigde van een klacht kan afzien zonder dat de betrokkene daarmee een waardeoordeel over de gedraging geeft. Bij de beslissing om een klacht achterwege te laten kunnen andere facetten een (doorslaggevende) rol spelen, zoals bijvoorbeeld het willen voorkomen van (meer ) ruchtbaarheid voor de feiten die de klachtgerechtigde heeft ondergaan. Het niet indienen van een klacht betekent dus niet zonder meer dat de gedraging gewenst en daarmee niet strafwaardig zou zijn. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het – bezien in de context van wederrechtelijkheid – aanbevelenswaardig is de rechtsfiguur van de klacht een formele rol toe te bedelen in de strafrechtspleging, waarbij die klacht uitsluitend van betekenis is voor de mogelijkheid een klachtdelict te vervolgen.