Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.6
3.6 De toelaatbaarheid van bewijs in strafzaken; beperkte toetsing
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS490749:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 16 december 1992 (Edwards t. Verenigd Koninkrijk), § 34: ‘(…) the Court must consider the proceedings as a whole including the decision of the appellate court (…). Moreover it is not within the province of the European Court to substitute its own assessment of the facts for that of the domestic courts and, as a general rule, it is for these courts to assess the evidence before them. The Court’s task is to ascertain whether the proceedings in their entirety, including the way in which evidence was taken, were fair (…).’
EHRM 19 september 2000 (I.J.L. e.a. t. Verenigd Koninkrijk), § 97. In enkele zaken waarin bekentenissen op basis van marteling dan wel mishandeling zijn afgedwongen, stelt het Hof toch zelf de feiten vast.
EHRM 12 juli 1988 (Schenk t. Zwitserland), § 45 en 46. Zie ook EHRM 9 juni 1998 (Texeira de Castro t. Portugal), § 34.
EHRM 12 juli 1988 (Schenk t. Zwitserland), § 45 en 46: ‘While Art. 6 Convention guarantees the right to a fair trial, it does not lay down any rules on the admissibility of evidence as such, which is therefore primarily a matter for regulation under national law. The Court therefore cannot exclude as a matter of principle and in the abstract that unlawfully obtained evidence of the present kind may be admissible. It has only to ascertain whether Mr. Schenk’s trial as a whole was fair.’ Zie voor een bevestiging van de opvatting dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in het algemeen niet in strijd is met art. 6 EVRM onder meer EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken).
Vgl. EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), § 68. Zie ook EHRM 9 juni 1998 (Texeira de Castro t. Portugal), § 34; EHRM 18 maart 1997 (Mantovanelli t. Frankrijk), § 34 en EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken), § 95.
Vgl. Heringa e.a. 2000, p. 19. Deze opvatting materialiseert in onder meer EHRM 9 juni 1998 (Texeira de Castro t. Portugal), § 34, EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 88 en EHRM 8 juli 2010 (Aleksandr Matveyev t. Rusland), § 80. Ik wijs hier ook op EHRM 19 april 1993 (Kraska t. Zwitserland). In § 30 overweegt het Hof dat de nationale rechter het door partijen aangedragen bewijs op een behoorlijke wijze moet onderzoeken.
Vgl. EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 90, met verwijzing naar EHRM 12 mei 2000 (Khan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2002, 180 (m.nt. Schalken), § 35 en 37, en EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 43.
EHRM 20 maart 2001 (Telfner t. Oostenrijk), § 17 en EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), § 77 e.v. Voor wat betreft de daarin vastgelegde onschuldpresumptie is de mate van overtuigingskracht (‘beyond reasonable doubt’) ook leidend criterium.
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen).
Zie voor deze nuancering § 9.5.2 hierna.
EHRM 20 mei 2010 (Baran en Hun t. Turkije), § 72.
In dezelfde zin Schalken in pt. 2 van zijn noot bij EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226. Zie meer recent EHRM 10 maart 2009 (Bykov t. Rusland), § 99.
Terwijl het tegen de verdachte ingebrachte bewijs vaak van beslissend belang is voor (de uitkomst van) een strafzaak, neemt de bewijsvoering in de nationale strafprocedure een nogal ambivalente plaats in binnen de rechtspraak over art. 6 EVRM. Bij de toetsing van een klacht over schending aan art. 6, gaat het EHRM primair uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld door de nationale rechter. Het is in beginsel niet zijn taak om een eigen vaststelling van de feiten te geven.1 Dit geldt ook wanneer partijen in de klachtprocedure voor het Hof twisten over de feiten die aan een klacht ten grondslag liggen.2 Een waarschijnlijke verklaring voor deze terughoudende toetsing is dat een integrale beoordeling en waardering van het bewijs, mogelijk tot gevolg heeft dat het Hof – ten onrechte – als beroepsinstantie zou worden gebruikt. Het is niet zijn taak om vast te stellen of een persoon al dan niet schuldig is aan hetgeen waarvan hij is beschuldigd. Die schuldvraag is ter beoordeling van de verdragsstaten zelf.3
Bewijsgaring moet voldoen aan de vereisten van art. 6 EVRM
Het voorgaande betekent niet dat het Hof geen enkel toezicht zou uitoefenen op de beoordeling en waardering door de nationale rechter van het ter zitting gepresenteerde bewijs. In de zaak Schenk overweegt het Hof, dat uit art. 6 geen regels voortvloeien over de toelaatbaarheid van het bewijs, mits de verdachte een behoorlijk proces krijgt.4 Het heeft meermaals overwogen dat het enkel dient vast te stellen of de strafprocedure als geheel – inclusief de manier waarop het bewijs is verkregen – voldoet aan de vereisten in art. 6.5 Of het tegen de verdachte ingebrachte bewijs ertoe heeft geleid dat de procedure als geheel onbehoorlijk is, is afhankelijk van de omstandigheden die aan een klacht ten grondslag liggen.6
De toetsing door het Hof van het tegen de verdachte ingebrachte bewijs aan art. 6 EVRM, concentreert zich op de mogelijkheden die de verdachte heeft gehad om zich te verzetten tegen het gebruik van het bewijs en de wijze waarop dat bewijs van hem is verkregen. Het gaat in het bijzonder na of de verdachte in staat is gesteld om de authenticiteit van het bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik daarvan. Bovendien moet de betrouwbaarheid van het bewijs worden nagegaan, onder meer of de wijze van verkrijging van het bewijs twijfel oproept over de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid ervan.7 In de zaken Telfner en Barberà, Messegué en Jabardo wijst het Hof in het kader van art. 6, lid 2 EVRM ook op de overtuigingskracht van het bewijs.8
Erkenning bewijsuitsluitingsregel die steunt op art. 6 EVRM
Ook los van de vraag naar de betrouwbaarheid van het tegen de verdachte ingebrachte bewijs gaat het Hof na op welke wijze het tegen de verdachte gebruikte bewijs van hem is verkregen. In de zaak Jalloh ontaardde het gebruik van op zichzelf kwalitatief sterk bewijs in een onbehoorlijk strafproces, omdat het in strijd met art. 3 EVRM van de klager was verkregen.9 Het gebruik van bewijs dat is verkregen in strijd met art. 3 ontaardt in beginsel10 in een onbehoorlijk strafproces. Dit wordt nadien bevestigd in de zaak Baran en Hun.11 Hiermee lijkt de formulering van een bewijsuitsluitingsregel die steunt op het in art. 6 vastgelegde recht op een behoorlijk strafproces een feit.12