Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.1
3.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS483378:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Feteris 2002(a), p. 47 en Barkhuysen/Van Emmerik 2009, p. 26.
Hetzelfde geldt voor de bescherming van (nationale) niet-verdragsrechten.
Heringa e.a. 2000, par. 3.6.0, p. 1.
Vgl. Stevens 2005, p. 31, en de daar aangehaalde literatuur.
Vgl. EHRM 6 december 1988 (Barberà, Messegué en Jabardo t. Spanje), § 67.
Zie nader Doorenbos 2003, p. 2193 e.v.
Zie uitgebreid Heringa e.a. 2000, aanvulling 60, 7-2004, art. 6/3.8.6, p. 3 e.v.
Vgl. EHRM 10 februari 1995 (Allenet de Ribemont t. Frankrijk) en meer recent EHRM 10 oktober 2000 (Daktaras t. Litouwen), § 41: ‘(…) the presumption of innocence enshrined in Article 6 § 2 of the Convention is one of the elements of a fair criminal trial required by Article 6 § 1. It will be violated if a statement of a public official concerning a person charged with a criminal offence reflects an opinion that he is guilty before he has been proved so according to law. It suffices, even in the absence of any formal finding, that there is some reasoning suggesting that the official regards the accused as guilty.’
Zie daarover De Lange e.a. 2009, p. 54.
EHRM 21 februari 1975 (Golder t. Verenigd Koninkrijk), NJ 1975, 462 (m.nt. Alkema).
EHRM 25 februari 1993 (Funke t. Frankrijk), NJ 1993, 485 (m.nt. Knigge).
In het vorige hoofdstuk heb ik kort het verdragsrechtelijke en jurisprudentiële kader geschetst waarbinnen het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM zijn plaats heeft. In het vervolg van deze studie zal ik mij uitdrukkelijk tot dit verdragsrecht – en dan vooral het daarin belichaamde recht tegen gedwongen zelfbelasting – beperken. art. 6 bevat een van de belangrijkste en ook meest ingeroepen rechten die door het EVRM en de Protocollen worden gewaarborgd.1 Deze prominente plaats binnen het EVRM-corpus kan mogelijk worden verklaard door het belang van het recht op een behoorlijk proces voor de bescherming van de andere in het Verdrag vastgelegde of belichaamde fundamentele (en andere) rechten.2 Het toezicht op de naleving van de verdragsverplichtingen berust in het systeem van het EVRM voor een belangrijk deel bij de nationale gerechten. Vooral de nationale rechter moet burgers, bedrijven etc. bescherming bieden tegen schendingen van fundamentele rechten en vrijheden door de overheid (en in ‘horizontale’ verhoudingen door burgers of private organisaties).3 Meer in het algemeen geldt dat het recht op een behoorlijk strafproces een uitwerking is van de rechtsstaatgedachte.4
De tekst van art. 6 EVRM luidt:
In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.
Everyone charged with a criminal offence shall be presumed innocent until proved guilty according to law.
Everyone charged with a criminal offence has the following minimum rights:
to be informed promptly, in a language which he understands and in detail, of the nature and cause of the accusation against him;
to have adequate time and facilities for the preparation of his defence;
to defend himself in person or through legal assistance of his own choosing or, if he has not sufficient means to pay for legal assistance, to be given it free when the interests of justice so require;
to examine or have examined witnesses against him and to obtain the attendance and examination of witnesses on his behalf under the same conditions as witnesses against him;
to have the free assistance of an interpreter if he cannot understand or speak the language used in court.
Art. 6, lid 1 EVRM legt het recht op een behoorlijk civiel en strafproces vast. De strekking ervan is dat een gerechtelijke procedure waarin de vaststelling van burgerlijke verplichtingen of de gegrondheid van een ingestelde strafvervolging wordt vastgesteld, ‘fair’ ofwel behoorlijk moet zijn. Daarbij gaat het om institutionele waarborgen, het procesverloop en bepaalde aspecten van de inhoud van de beslissing (bewijs, motivering). Typische institutionele waarborgen zijn het door art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot de rechter en diens onpartijdigheid. Het procesverloop concentreert zich op de behandeling van geschillen door de rechter. Die behandeling moet behoorlijk en openbaar zijn.
Deelrechten
Het recht op een behoorlijk strafproces krijgt nader uitwerking in het tweede en derde lid.5 Het tweede lid legt de zogenoemde presumptio innocentiae ofwel onschuldpresumptie vast. Deze norm richt zich tot de rechter, wetgever en de ‘public authorities’ in het algemeen.6 De strekking ervan is dat een ieder die wordt vervolgd, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.7 Overheidsdienaren mogen dan ook niet publiekelijk blijk geven van hun overtuiging dat de ‘person charged’ datgene heeft gedaan waarvan hij wordt beschuldigd, voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.8
Teneinde te waarborgen dat een strafproces behoorlijk is, legt art. 6, lid 3 EVRM uitdrukkelijk een aantal (niet-limitatieve) verdedigingsrechten van de verdachte vast. Die moeten een behoorlijk proces garanderen. De toetsing aan die rechten vindt in de regel plaats in samenhang met het ‘algemene’ recht op een behoorlijk proces in art. 6, lid 1 EVRM.9 Deze waarborgen moeten bijdragen aan de effectiviteit van de verdediging.
De catalogus van rechten in art. 6 EVRM is aangevuld met rechten die daaraan in de Protocollen zijn toegevoegd.10 Ook heeft het Hof in art. 6 EVRM een aantal rechten ‘gelezen’ die daarin niet uitdrukkelijk zijn vastgelegd, zoals het recht op toegang tot de rechter11, het zwijgrecht en het (meeromvattende) niet-meewerkrecht12.