Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.7.1
10.7.1 Herschikking EEX-Vo: afschaffing exequatur voor ex-parte verleende voorlopige voorzieningen
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS500687:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Herschikking Brussel I.
Hieronder dient met zekerheid te worden verstaan het conservatoir beslag, aldus Van Lith, 2011.
Van Lith 2011. Bovendien zal een rechter die niet bevoegd is om kennis te nemen van de hoofdzaak bij de beoordeling van een beslagrekest verplicht zijn om informatie in te winnen bij de bodemrechter om zich te informeren over alle relevante omstandigheden van de zaak, zoals de spoedeisendheid van de gevraagde maatregel en/of eventuele afwijzing van de maatregel door de bodemrechter. van Lith merkt terecht op dat deze bepaling kan leiden tot een botsing met interne regels van nationaal procesrecht.
Commission Staff Working Paper, behorende bij het voorstel Europees bankbeslag, p. 13.
Het voorstel tot Herschiking EEX-Vo stond een wijziging op de in het voorgaande beschreven gevolgen van de Denilauler uitspraak van het Hof van Justitie voor. Indien volgens het nieuwe art. 2(a) van de Herschikking,1 voorlopige en bewarende ex-parte maatregelen,2 genomen door een gerecht dat in de zaak ten principale bevoegd is, zouden gaan vallen onder het begrip ‘beslissing’ zou de werking van de Denilauler uitspraak hiermee worden overruled. De hierop betrekking hebbende beoogde nieuwe tekst van de verordening luidde als volgt:
‘Voor de toepassing van hoofdstuk III (MM: inzake erkenning, uitvoerbaarheid en tenuitvoerlegging) omvat het begrip ‘beslissing’ voorlopige en bewarende maatregelen die zijn gelast door een gerecht dat overeenkomstig deze verordening bevoegd is om van het bodemgeschil kennis te nemen. Het omvat ook maatregelen die zijn gelast zonder dat de verweerder is opgeroepen om te verschijnen en die moeten worden ten uitvoer gelegd zonder voorafgaande betekening of kennisgeving aan de verweerder wanneer de verweerder het recht heeft om de maatregel daarna aan te vechten overeenkomstig het nationale recht van de staat van herkomst’.
Beslagverloven zouden hiermee in aanmerking komen voor erkenning en tenuitvoerlegging in andere EU staten zonder dat hiervoor een exequatur is vereist. Voorlopige en bewarende maatregelen, opgelegd door een ander gerecht dan die welke in de hoofdzaak bevoegd is, vallen hier (a contrario) niet onder.3 Dit zou betekenen dat een in Nederland afgegeven verlof slechts betrekking kan hebben op buitenlandse vermogensbestanddelen voor zover de Nederlandse voorzieningenrechter tevens bevoegd is ten aanzien van de hoofdzaak waarin een uitspraak wordt gevraagd over de vordering die aan het beslag ten grondslag ligt. Met deze aanpassing zou, indien de Herschikking zoals voorgesteld zou zijn aangenomen, een einde zijn gekomen aan de situatie waarin, ingevolge het Hof van Justitie arrest Denilauler, ex-parte maatregelen, zoals het verlenen van beslagverlof, niet in aanmerking komen voor erkenning onder titel III, art. 32 van de huidige EEX-Vo. Daarnaast zou de rechter die (op grond van de EEX-Vo) bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen ook bevoegd zijn om bewarende maatregelen in een andere dan de eigen EU-lidstaat te gelasten. Dit was al het geval op grond van het bestaande bevoegdheidssysteem, dat is gebaseerd op basis van rechtspraak van het Hof van Justitie, met dien verstande dat deze voorlopige maatregelen onder de huidige regeling niet zonder exequatur in een andere EU-lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd kunnen worden.
In de Herschikking was (nog) niet de tenuitvoerlegging van een verlof tot beslaglegging geregeld. Hiervoor moet de beslaglegger zich wenden tot de hiervoor aangewezen instantie in de lidstaat waar de vermogensbestanddelen van de beslagene zich bevinden. Dit in tegenstelling tot de regeling in het voorstel Europees bankbeslag, op grond waarvan een uitgevaardigde EAPO direct leidt tot een feitelijke beslaglegging onder de bank in de lidstaat waar het vermogen van de beslagene zich bevindt.4