Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/16.4.4
16.4.4 De rol van toezicht en handhaving
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS574363:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar § 5 van hoofdstuk 6. Daarin omschreef ik dit als 'het vertrouwen dat investeerder hebben dát informatie door beursvennootschappen wordt gepubliceerd.'
Zie ook § 4.1 van hoofdstuk 6. Daarin is reeds, met een verwijzing naar Easterbroolc/Fischel (1991), p. 289, opgemerkt dat voor 'bescherming' van investeerders dát beursvennootschappen toegezegde informatie, op niet selectieve wijze, zullen publiceren, het opleggen van de enkele verplichting om informatie te publiceren onvoldoende is. Het is niet de publicatieverplichting alleen die deze 'bescherming' biedt maar ook de mogelijkheid om naleving van deze verplichtingen af te dwingen.
Vgl. Easterbroolc/Fischel (1991), p. 286, '[f]n a world with an antifraud tule but no mandatory disclosure, firms could remain silent with impunity.'
Zie bijvb. Bainbridge (2000), p. 1034: 'a mandatory disclosure system laying out detailed required disclosures will not prevent issuers from fraudulently violating their commitments. Issuers who are going to commit fraud still will make fraudulent disclosures - they will simply use the approved form to do so.'
Vgl. La Porta/Lopez-de-Silanes/Shleifer (2003), p. 23. Zij concluderen dat vooral privaatrechtelijke handhavingsmogelijkheden van belang zijn. Zie ook Coffee (2007). Bainbridge (2000), p. 286, stelt dat 'rigorously enforced proscriptions of fraud seem far more important than the mandatory disclosure system, insofar as one is concerned about bonding the credibility of managerial disclosure promises.'
Vgl. Stout (2002), p. 431. Zie daarnaast Comeau (2006), met een kritische bespreking van de Amerikaanse meldingsverplichtingen van 'insider trades' en de (on)mogelijkheid dat de wijze waarop deze bepalingen zijn vormgegeven een bijdrage (kunnen) leveren aan het vertrouwen van investeerders.
Zie reeds Easterbroolc/Fischel (1984), p. 693, 'to make such a confidence argument, one would need to show that any reduction in fraud attributable to the disclosure rules was more valuable than the costs of administering those rules. No regulation can be justified satisfactorily without such analysis: arguing that disclosure reduces fraud without toting up the cost makes as much sense as arguing for the reduction of auto fatalities by requiring all automobiles to be built with five-inch steel plate'.
Een ander punt waarop onduidelijkheid bestaat, is hoe publicatieverplichtingen en vertrouwen zich eigenlijk precies tot elkaar verhouden. Zo merken Guiso/Sapienza/Zingales (2007), op p. 6, op dat 'since trust is the necessary act of faith we have to do when we are not properly informed or we do not understand what is going on, the need for trust is negatively correlated with information and education. More informed people rely less on trust (...).' Partnoy (2000), p. 764, tendeert echter in de andere richting: '[t]o some extent the importance of trust is a sign that law is less likely to be relevant in financial markets than in other areas.' Onduidelijk is derhalve wat de richting is van het causale verband waarin vertrouwen en informatie negatief correleren. Ik meen dat sprake is van een wisselwerking. Personen die meer vertrouwen hebben, hebben in mindere mate behoefte hebben aan informatie; tegelijkertijd kan dit (minimum)niveau van vertrouwen worden bereikt omdat ten gevolge van de publicatieverplichtingen het vertrouwen ontstaat dat ten minste enige informatie gepubliceerd zal worden.
Pogingen om een aantal bouwstenen van 'investors sentiment' mee te wegen in economische modellen over de werking van effectenmarkten geven Barberis/Shleifer/Vishny (1998) en Baker/Wurgler (2007). Exemplarisch is in dit verband de opmerking van (de economen) Guiso/Sapienza/Zingales (2007), p. 31: 'it becomes crucial to understand the determinants of investors' (possibly biased) perception of the trustworthiness of the stock market. This is the next item in our research agenda.'
Waarover o.a. Stout (2002), p. 430.
Ik wijs de verzuchting van Moloney (2005), p. 371, dat deze doelstelling 'almost incapable of (...) empirical testing'.
Aldus de (toenmalige) Minister van Financiën in de context van de financiële markten, 'boekhoudschandalen' en 'corporate governance', in zijn op 14 november 2002 gehouden Fortis-lezing (http://wwwminfin.nl/n1/actueel/nieuwsberichten2002/11/02_253adoc.html).
Een vergelijkbaar standpunt kan worden gevonden bij Stout (2002).
Eerder in deze studie heb ik betoogd dat "vertrouwen van investeerders" moet worden beschouwd als het effect dat het opleggen van publicatieverplichtingen en handhaving van die verplichtingen heeft op (het versterken van) vertrouwen van investeerders.1 Hieruit kan nog een relevante factor voor de omvang van dit vertrouwen worden afgeleid. Ook de mate waarin publicatieverplichtingen (kunnen) worden afgedwongen is van belang. Tegelijkertijd is hiermee een belangrijke beperking gegeven van de bijdrage die de publicatieverplichtingen kunnen leveren aan het versterken van het vertrouwen in de adequate werking van de effectenmarkt. Deze beperking is gelegen in het — subtiele onderscheid tussen de invloed die publicatieverplichtingen kunnen hebben bij (het versterken van) vertrouwen in de adequate werking van de effectenmarkt en de invloed die het toezicht op, en handhaving van, de naleving van die verplichtingen heeft.2
Hierbij staat niet ter discussie dat om publicatieverplichtingen te kunnen afdwingen, met het oog op versterking van het vertrouwen van investeerders in de adequate werking van de effectenmarkt, het opleggen van ten minste een aantal van die verplichtingen een vereiste is.3 Tegelijkertijd zal, zoals in de literatuur is betoogd, het opleggen van publicatieverplichtingen alleen "fraude" niet kan voorkomen.4 Een vereiste daarvoor is dat toezicht op, en handhaving van, de naleving van de publicatieverplichtingen plaatsvindt. In recente(re) literatuur is de aandacht daarvoor toegenomen. Dat geldt niet alleen voor het vraagstuk of naleving van de publicatieverplichtingen effectiever door middel van publiek toezicht of door middel van privaatrechtelijke handhaving, met behulp van mogelijkheden tot aansprakelijkstelling, kan worden afgedwongen.5 Ook de relatie tussen het afdwingen van naleving van de publicatieverplichtingen en "versterken van vertrouwen" van investeerders mag zich daarbij op belangstelling heugen.6
Ondanks deze toegenomen aandacht voor het verband tussen het afdwingen van naleving van de publicatieverplichtingen en het vertrouwen van investeerders in de werking van de effectenmarkt, is een antwoord op de vraag naar de concrete bijdrage — de kosten en de baten — van beiden (nog) niet in zicht. De reden hiervoor is dat het niet eenvoudig is om op economische argumenten te bepalen waar het optimum is gelegen. Dit optimum bevindt tussen enerzijds de kosten voortvloeiend uit de wisselwerking van opleggen van publicatieverplichtingen en naleving daarvan — en anderzijds de opbrengsten van toenemend vertrouwen van investeerders in werking van de effectenmarkt.7 Waar zich dat precies bevindt en hoe dat met worden berekend, is echter (nog) onduidelijk.8 Evenals voor het beoordelen van de publicatieverplichtingen in het algemeen geldt, lijken ook op dit punt de huidige economische modellen (nog) tekort te schieten.9 Mijn conclusie over de houdbaarheid van deze doelstelling van de publicatieverplichtingen is tweeledig. Enerzijds dat niet geconcludeerd kan worden dat het versterken van "vertrouwen van investeerders", omdat de economische modelvorming op dat punt tekortschiet, op voorhand als een onhoudbare of onwenselijke doelstelling van het opleggen van publicatieverplichtingen moet worden beschouwd. Dat vertrouwen van investeerders in de adequate werking van de effectenmarkt een noodzakelijk voorwaarde voor het functioneren van die markt vormt — en publicatieverplichtingen aan dat vertrouwen kunnen bijdragen — lijkt inmiddels immers, terecht, breed gedragen.10
Daar staat echter tegenover dat wenselijk lijkt om publicatieverplichtingen die in het bijzonder, of voornamelijk, tot doel hebben het vertrouwen van investeerders in de adequate werking van de effectenmarkt te versterken, op gezette tijden kritisch te bezien. Daarbij moet worden beoordeeld of, en in welke mate, de oorspronkelijke doelstelling reeds is bereikt. De reden hiervoor is dat de doelstelling "versterken" — of herstellen dan wel vergroten — van vertrouwen van investeerders een, welhaast niet te kwantificeren, oneindigheid in zich herbergt.11 Weliswaar "komt vertrouwen te voet en gaat het te paard".12 Vanwege het open einde karakter van de doelstelling "versterken van vertrouwen" ligt niettemin in de rede om van publicatieverplichtingen die (enkel) deze doelstelling hebben, met een zekere regelmaat te bezien hoe de — wel te berekenen — kosten die deze publicatieverplichtingen meebrengen zich verhouden tot de noodzaak voor instandhouding van die verplichtingen.13