De prioriteitsregel in het vermogensrecht
Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.4:5.4 Slotsom
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.4
5.4 Slotsom
Documentgegevens:
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS390662:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit zijn de goederenrechtelijk gerechtigden. Zie voor beide begrippen hierboven p. 83.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de invoering van het Duitse BGB in 1900 heeft de prioriteitsregel de plaats gekregen van een rechtsbeginsel dat van toepassing is op de verhouding tussen goederenrechtelijke rechten. De codificatie ervan werd overbodig geacht omdat uit de rechtslogica voortvloeit dat een goederenrechtelijk gerechtigde niet door later gevestigde rechten kan worden gehinderd. Uit de nemo-plusregel volgt immers dat de eigenaar slechts onder de eerbiediging van de reeds gevestigde goederenrechtelijke rechten over zijn zaak kan beschikken.
Ten aanzien van registergoederen voorziet § 879 BGB in een uitwerking van de prioriteitsregel. De onderlinge rangorde wordt bepaald door volgorde van registratie (Lokusprinzip).
Ook rechten op roerende zaken en vorderingen vallen onder de toepassing van de prioriteitsregel. Niet alleen verhouden pandrechten zich tot elkaar naar hun ontstaansmoment, de prior-temporeregel wordt eveneens toegepast op de atypische zekerheidsrechten op vorderingen, te weten het verlengde eigendomsvoorbehoud en de fiduciaire overdracht. De onverkorte toepassing van de prioriteitsregel in het conflict tussen de bank als Globalzessionar en de voorbehoudsverkoper als cessionaris van dezelfde toekomstige vorderingen, is door de rechtspraak enigszins verzacht. Ten gunste van de voorbehoudsverkoper wordt onder omstandigheden de doorgaans oudere Globalzession aan de bank strijdig met de goede zeden geacht. De vorderingen worden in dat geval in afwijking op de prioriteitsregel aan de voorbehoudsverkoper gecedeerd.
Ten aanzien van schuldeisers met een obligatoire aanspraak wordt geen rangorde aangenomen. Iedere schuldeiser heeft de vrijheid om zijn vordering op het vermogen van de schuldenaar te verhalen en hoeft daarbij geen rekening te houden met zijn concurrenten. Zodra een schuldeiser executoriaal beslag heeft gelegd verkrijgt hij van rechtswege een Pfändungspfandrecht op het beslagen goed. Hiermee verwerft hij een versterkte positie ten opzichte van zowel overige concurrente schuldeisers (Präventionsprinzip) als verzekerde schuldeisers met een jonger recht (Prioritätsprinzip). De beginselgelijkheid van schuldeisers in die zin dat noch het moment waarop de vordering is ontstaan noch het moment waarop de schuldeiser beslag heeft gelegd voorrang geeft, is het Duitse recht vreemd. Pas als de schuldenaar failliet is verklaard worden schuldeisers, afgezien van degenen met een Aussonderungsrecht of Absonderungsrecht,1 gelijk behandeld en naar rato van hun vordering voldaan.
De Duitse wetgever heeft als toepassingsgebied van de prioriteitsregel alleen het Sachenrecht voorzien. Toch is door de verzakelijking van enkele obligatoire rechten de toepassing van de prioriteitsregel ook terug te vinden in het verbintenissenrecht. Zo zijn de Vormerkung en het dingliche Vorkaufsrecht die overigens noch als zuiver verbintenis- noch als zuiver goederenrechtelijk recht kunnen worden gekwalificeerd, aan inschrijving in het Grundbuch en daarmee ook aan de werking van de prioriteitsregel onderworpen. Daarnaast kunnen bij uitzondering ook rechten met slechts enkele goederenrechtelijke kenmerken, zoals het recht van de huurder, invloed van de prioriteitsregel ondervinden.