Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/5.1
5.1 Inleiding
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS389501:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de invloed van de Duitse op de Nederlandse rechtsgeleerden onder meer Van Oven 1938, p. 329 en Lokin 1994, p. 41.
Zo kwam bijvoorbeeld het eigendomsvoorbehoud geheel aan de hand van het BGB (§ 455 thans § 449) tot stand en erkende de Hoge Raad in navolging van het Duitse recht de fiduciaire eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid door middel van constitutum possessorium als zekerheidsrecht op roerende zaken.
Zie uitgebreid over de moeizame totstandkoming van het ALR Lokin & Zwalve 2014, p. 281-288. Het ALR werd ontworpen om de plaats van het Romeinse recht als subsidiaire rechtsbron in te nemen. Dit wetboek dat aanvankelijk alle lokale wetten in de Pruisische gebieden in stand liet, verkreeg na de Napoleontische overheersing in delen van Pruisen primaire rechtskracht.
Zo pleitte K.E. Schmidt voor de invoering van het ABGB in alle Duitse landen, A.W. Rehberg voor de (her)invoering van de Code civil in Duitsland en bepleitte A.F.J. Thibaut uit natuurrechtelijke hoek de noodzaak van de invoering van een codificatie op nationaal niveau.
Lokin & Zwalve 2014, p. 300 en Koschaker 1953, p. 254.
Zie Savigny 1814, p. 28 en 29.
Uitvoerig bespreekt Savigny de reeds bestaande codificaties – te weten de Code civil, het ALR en het ABGB – die alle waren mislukt vanwege het gebrek aan wetenschappelijkheid. Zie Savigny 1814, p. 54-110.
De Digesten worden ook wel Pandekten genoemd.
Aanvankelijk behoorde alleen het verbintenissenrecht tot de wetgevingscompetentie van het Rijk. Het amendement van 20 december 1873 is voornamelijk de verdienste geweest van Eduard Lasker naar wie deze wetswijziging dan ook is vernoemd (Lex Lasker). Zie Wieacker 1967, p. 468.
Wieacker 1967, p. 469. De beraadslagingen van de eerste commissie (Motive) die destijds zijn gepubliceerd zijn in drie delen verzameld door Mugdan in Die gesammten Materialien zum Bürgerlichen Gesetzbuch für das Deutsche Reich. Deze bron van wetgevingsgeschiedenis is aangevuld door Jakob en Schubert tussen 1978 en 2002 met de destijds niet gepubliceerde overwegingen, Die Beratung des Bürgerlichen Gesetzbuchs.
Zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 166 e.v.
De aandacht voor het Franse recht werd vanaf het eind van de negentiende eeuw verdrongen door de oriëntatie op Duitsland.1 Het goeddeels uit Frankrijk afkomstige Burgerlijk Wetboek van 1838 schoot tekort in het bieden van oplossingen voor nieuwe, als gevolg van maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstane juridische problemen. Aangezien door de wetgever niet werd ingespeeld op onder meer de mechanisering van de industrie, de opkomst van moderne technieken en de groei van de handel, zochten Nederlandse juristen naar oplossingen in jongere wetboeken. Het op 1 januari 1900 ingevoerde Duitse Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) vormde een ideale inspiratiebron.2 Vanwege de grote invloed die het BGB heeft gehad op de Nederlandse literatuur en rechtspraak draagt de bestudering van het Duitse recht en zijn ontwikkeling bij aan een beter begrip van het moderne burgerlijk recht.3
Het recht in Duitsland heeft gelet op de staatkundige geschiedenis – de Duitse eenwording werd pas in 1871 bewerkstelligd – een andere ontwikkeling doorgemaakt dan het Nederlandse recht. In de jaren na de Napoleontische overheersing is het in de Duitse gebieden niet gekomen tot een eenheidscodificatie. De politieke eenheid ontbrak en de zelfstandige landen bleken ook niet bereid om een deel van hun soevereiniteit af te staan. Er waren wel enkele codificaties binnen de Duitstalige gebieden tot stand gekomen, waaronder het burgerlijke wetboek voor het Habsburgse Rijk dat nog steeds als het Allgemeine Bürgerliche Gesetzbuch (ABGB) in Oostenrijk van kracht is. Tevens kan het Pruisische Allgemeine Landrecht (ALR) worden genoemd.4
Ondanks de politieke verscheidenheid werd na de overwinning op Napoleon de roep om een grotere Duitse eenheid gehoord. Om deze eenheid te bewerkstelligen werden diverse voorstellen gedaan om over te gaan tot het ontwerpen van een eenheidscodificatie.5 De invoering van een wetboek voor alle Duitse landen werd echter bestreden door Friedrich Carl von Savigny (1779-1861) die wordt beschouwd als de grootste rechtsgeleerde van zijn tijd.6 Savigny, destijds rector magnificus van de Universiteit van Berlijn, achtte de tijd niet rijp voor een nationale codificatie. Een wetboek moest in zijn visie bestaan uit een dogmatisch stelsel van leidende rechtsbeginselen die uit het Justiniaanse recht konden worden gedestilleerd.7 Er diende dus eerst een juristenstand te worden opgeleid die door zijn wetenschappelijke scholing in het Romeinse recht het dogmatische systeem in de vingers had.8 Het aldus door Savigny voorgestane onderwijsprogramma van de zogenoemde Historische School deed zijn intrede op de Duitse universiteiten. De Pandektisten die hun naam ontlenen aan de Pandekten9 aan de hand waarvan het onderwijs werd gegeven, hebben de Duitse universiteiten en de rechtspraak in de negentiende eeuw gedomineerd.
Toen na de Duitse eenwording de weg was vrijgemaakt voor een gemeenschappelijk wetboek – hiervoor diende overigens nog in 1873 de constitutie van het Rijk in die zin te worden geamendeerd dat het gehele burgerlijk recht tot de wetgevingscompetentie van het Rijk zou gaan behoren10 – was het dan ook het ‘verwetenschappelijkte Romeinse recht’ dat de grondslag van het wetboek heeft gevormd.11 In 1874 startte een commissie van elf leden onder wie een van de meest gezaghebbende Pandektisten, Bernhard Windscheid, haar codificatiewerkzaamheden die uiteindelijk uitmondden in het Eerste Ontwerp.12 Vanwege de kritiek die dit ontwerp te verduren kreeg – zo werd het te leerstellig en doctrinair geacht – is een tweede commissie samengesteld om het geheel te herzien.13 Het tweede ontwerp week niet wezenlijk af van het eerdere ontwerp en werd vervolgens in licht gewijzigde vorm door de Bundesrat aangenomen.14 Het uit paragrafen bestaande BGB trad op 1 januari 1900 in werking.
Gededuceerd uit het Romeinsrechtelijke actiënrecht – het Romeinse recht kende rechtsvorderingen in rem en in personam – maakten de Pandektisten onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht.15 Aangezien het BGB eveneens aan dit onderscheid vasthoudt, krijgen in het hiernavolgende het goederenrecht (paragraaf 5.2) en het verbintenissenrecht (paragraaf 5.3) een afzonderlijke behandeling ter zake van de vraag naar de toepassing van de prioriteitsregel naar Duits recht.