Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/8.5.b
8.5.b Oplossingen, vooruitblik en commentaar
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS611950:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Mevis 2008, p. 466-467.
Naast het navolgende kan als rigoureuze oplossing voor redelijke-termijnproblemen worden gedacht aan de toekenning van schadevergoeding buiten het strafproces om. Zie hieromtrent, ook voor aanvullende argumenten, de conclusie van A-G Vellinga vóór en de noot van Mevis onder HR 19 april 2011, NJ 2015/133, alsook Hamer & De Bont 2005.
Feteris 2014, p. 275-277.
Paragraaf 7.5c.
Vgl. Van Schendel 2007, p. 123, die facultatief concluderen in strafzaken voorzichtig als “niet onverantwoorde weg” beoordeelt.
Overigens is denkbaar dat de Hoge Raad in een nieuw overzichtsarrest zelf deels in onderstaande verduidelijkingen voorziet.
Paragraaf 7.1.
Keulen onder HR 20 mei 2014, NJ 2014/381, m.nt. Keulen; zie voorts de noot van Van Kempen onder HR 18 februari 2014, NJ 2014/290, die spreekt van ‘analogische toepassing’ van art. 80a RO; zie over de overlap met art. 81 RO ook Borgers 2013.
Hierbij verdient ook de ‘gegrondverklaring’ van het middel of beroep zonder vernietiging van de bestreden uitspraak aandacht, zie Hoge Raad 2015, Bijlage 1, p. 5 onder ‘uitstroom uitspraken’, waar wordt gewezen op een toenemend aantal uitspraken gekenmerkt als ‘gegrond’ (kennelijk zonder vernietiging, in totaal 11 in 2015); zie als voorbeeld HR 24 juni 2014, NJ 2014/339, m.nt. Reijntjes.
Paragraaf 8.2a; specifiek paragraaf 3.10c-d; paragraaf 4.4d-e.
Paragraaf 7.2d; paragraaf 7.3a.
Paragraaf 7.2a; paragraaf 7.2d.
Zie verder paragraaf 8.6.
De vraag is hoeveel waarde daaraan toekomt, zie paragraaf 7.3b.
Paragraaf 7.3e.
Paragraaf 3.10c-d; paragraaf 4.4c.
Het voorstel van Stamhuis 2004, p. 483-485 tot gedeeltelijke overdracht van de beoordeling van formele ontvankelijkheidsvereisten voor cassatie aan gerechtshoven blijft hier buiten beschouwing. Het voorstel lijkt mij onder verdragsrecht overigens toelaatbaar (conclusie verdragsrecht 5), zie paragraaf 3.6 en paragraaf 4.4a.
Paragraaf 1.1b.
Al is over deze conclusie voorzichtigheid op zijn plaats, zie paragraaf 3.5a.
Paragraaf 4.2a.
Anders dan in hoger beroep kan de Hoge Raad de problemen die het verlofstelsel van artikel 80a RO mogelijk opwerpt onder het verdragsrecht zelf met enkele voor de hand liggende maatregelen voorkomen of oplossen. Dat kan bijvoorbeeld door in sommige gevallen het cassatieberoep in beginsel ontvankelijk te verklaren, door de reikwijdte en inhoud van het toelichtingsvereiste te verduidelijken, door ernstige schendingen van de redelijke termijn tussen hoger beroep en cassatie toch met strafvermindering te compenseren, en door onder omstandigheden de standaardmotivering aan te vullen met ten minste een verwijzing naar de 80a-overzichtsarresten, andere uitspraken of een of andere rubricering van toegangsweigeringsgronden.1
Dit alles betekent niet dat wetswijziging niet nuttig of wenselijk zou zijn.2 Om te beginnen verschilt de huidige praktijk van concluderen van het parket bij de Hoge Raad nog maar weinig van het systeem van facultatief concluderen zoals dat geldt in het belastingrecht. Binnen dat systeem is het parket niet in beginsel verplicht te concluderen, maar selecteren de advocaten-generaal zelf de beroepen die zij van advies willen voorzien.3 Verzoeken van de Hoge Raad om alsnog te concluderen, worden in de praktijk gehonoreerd. Indien facultatief concluderen ook in alle strafzaken het uitgangspunt wordt, geeft het uitblijven van een conclusie niet meer de impliciete boodschap dat het parket met 80a-afdoening kan instemmen die het naar mijn opvatting nu wel geeft.4 De door het verdragsrecht vereiste gelegenheid tot reactie op de conclusie bestaat in zo’n systeem enkel en alleen indien het parket expliciet een conclusie neemt, omdat het uitblijven van een conclusie namelijk niet als een specifieke opvatting over het beroep kan worden geïnterpreteerd. In een systeem van facultatief concluderen kan een conclusie immers ook uitblijven omdat het cassatieberoep juist evident slaagt. Een systeem van facultatief concluderen neemt dus mogelijke verdragsrechtelijke bezwaren tegen artikel 80a RO weg, is bovendien inzichtelijker dan de huidige praktijk van (niet-)concluderen, en het verdient daarom mijns inziens de voorkeur.5
De wetgever zou voorts de ontvankelijkheidscriteria van artikel 80a RO kunnen verduidelijken.6 Verduidelijking lijkt mij op zichzelf al van toegevoegde waarde, maar kan ook voor verdragsrechtelijke beoordeling van belang zijn. Ten eerste bestaan vragen over de verhouding tussen het verlofstelsel van artikel 80a RO en de reguliere cassatieprocedure, in het bijzonder artikel 81 RO over verkorte motivering en 79 RO over de gronden voor vernietiging in cassatie. Artikel 80a RO lijkt de toepassing van die twee bepalingen te beïnvloeden – bij artikel 81 RO uitdrukkelijk – in die zin dat ook vernietiging in cassatie en de gemotiveerde afdoening van cassatieklachten (meer) is gaan samenhangen met het (on)voldoende belang van de insteller van het beroep.7 Dat de Hoge Raad arresten vernietigt wegens vormverzuim of rechtsschending, aldus de tekst van artikel 79 RO, is in het huidige cassatieprocesrecht “op zijn best een halve waarheid”, aldus Keulen.8 De vraag hoezeer artikel 80a RO de gewone cassatieprocedure beïnvloedt, heeft in dit boek niet centraal gestaan en verdient nader onderzoek.9 Ik concludeer wel dat het verlofstelsel van artikel 80a RO en de reguliere cassatieprocedure kennelijk niet zo ver uit elkaar staan als de Wet RO op het eerste gezicht suggereert. Verduidelijking van die verhouding kan de wetgever zich aantrekken. Dit is mogelijk ook vanuit verdragsrechtelijk perspectief van belang, namelijk voor de kwalificatie van artikel 80a RO als leave to appeal en daarmee voor de intensiteit van het toezicht van het EHRM. Hoe minder artikel 80a RO zich onderscheidt van de gewone cassatieprocedure, hoe minder snel het EHRM tot bestempeling ervan als verlofstelsel zou kunnen overgaan, hoe minder terughoudend het toezicht van het EHRM op de cassatieprocedure zal worden.10
In de tweede plaats verdienen de ontvankelijkheidsmaatstaven van artikel 80a RO verduidelijking wat betreft de rol van belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling (kort gezegd: zaakoverstijgende belangen). De wettekst drukt niet uit wat de wetsgeschiedenis en ook de Hoge Raad zelf wel degelijk accentueren, namelijk dat een cassatieberoep toegelaten moet worden indien de beantwoording van vragen van rechtseenheid of rechtsontwikkeling daartoe noopt.11 Herformulering van de verlofmaatstaven analoog aan artikel 81 RO, het voorstel van de Commissie normstellende rol Hoge Raad en een concept van de Wet versterking cassatierechtspraak verdienen wegens benoeming van deze zaakoverstijgende belangen mijns inziens de voorkeur.12 De getrapte doelstelling van artikel 80a RO wordt daardoor bovendien duidelijker uitgedrukt: versnelde afdoening van sommige beroepen ten behoeve van aandachtiger afdoening van andere.13
Belangrijker lijkt mij hiernaast nog dat de wettekst uiteindelijk weinig duidelijkheid biedt over de rol van zaakoverstijgende belangen als grond voor weigering van toegang tot cassatie. De vraag kan namelijk opkomen of de aan- of afwezigheid van zaakoverstijgende belangen op zichzelf de toegang tot cassatie mag bepalen, of dat de Hoge Raad altijd een zekere inhoudelijke beoordeling van het beroep althans beoordeling van particuliere en zaaksgebonden belangen moet uitvoeren. Hoewel de tekst van artikel 80a RO spreekt van het belang van de insteller van het beroep,14 staat die tekst als gevolg van het woord ‘onvoldoende’ uiteindelijk mijns inziens niet eraan in de weg dat zaakoverstijgende belangen de beoordeling van de ontvankelijkheid van een cassatieberoep domineren.15 Grote particuliere belangen zouden kunnen worden afgetroefd door het geringe zaakoverstijgende belang van behandeling van een beroep. Dergelijke toepassing van artikel 80a RO lijkt mij evenwel in strijd met de wetsgeschiedenis – die bij wijze van uitzondering op dit punt wél duidelijk is.16 Ook vanuit verdragsrechtelijk perspectief is deze verduidelijking mogelijk van belang, aangezien aan verlofbeoordeling die losstaat van de inhoud van het beroep minder hoge onderzoeks- en motiveringseisen worden gesteld.17 Aan (zuiver) vrije verlofbeoordeling in cassatie stelt het verdragsrecht in beginsel immers minder eisen dan aan inhoudelijke verlofbeoordeling (conclusies verdragsrecht 3 en 4).
Concrete voornemens om het verlofstelsel van artikel 80a RO in cassatie wezenlijk uit te breiden bestaan voorlopig niet.18 Wel achten sommigen uitbreiding onontkoombaar indien de instroom van strafzaken in cassatie blijft toenemen.19 Wat er van dat standpunt ook zij – zijn écht geen alternatieven denkbaar? – hier is ten slotte de conclusie belangrijk dat binnen de grenzen van het verdragsrecht significante uitbreiding van het verlofstelsel in cassatie zeker mogelijk is.
Zowel het EHRM als het CRM accepteren (in derde instantie) zeer strikte verlofcriteria die primair zijn geënt op de belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Autonome verdragsrechtelijke vereisten aan cassatie stelt alleen artikel 6 EVRM, maar ook die bepaling staat niet aan vrije verlofbeoordeling in cassatie in de weg (conclusie verdragsrecht 2). De poort tot cassatie kan nog verder dicht, als in hoger beroep een verplichting tot terugwijzing naar een rechtbank wordt geïntroduceerd na een succesvol hoger beroep van de officier van justitie tegen vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg. Daardoor kan een eerste veroordeling in hoger beroep immers niet meer plaatsvinden en blijft artikel 14 lid 5 IVBPR in cassatie dus buiten toepassing (conclusie verdragsrecht 2).20 Nog rigoureuzer zou de keuze zijn om cassatie als buitengewoon rechtsmiddel te positioneren en kracht van gewijsde reeds na hoger beroep te laten intreden. Als beslissingen over strafzaken reeds na hoger beroep onherroepelijk worden, wordt daarmee volgens de Delcourt/België-rechtspraak in beginsel ook de toepasselijkheid van het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM uitgesloten. Weliswaar verklaart het EHRM deze bepaling ook van toepassing op buitengewone rechtsmiddelen, maar de eisen daaraan lijken aanzienlijk lager dan aan gewone rechtsmiddelen.21 Voor dit soort uitbreiding bestaat volgens mij noodzaak noch draagvlak, maar de slotsom is wel dat het verdragsrecht aan wezenlijke uitbreiding van het verlofstelsel in cassatie niet in de weg hoeft te staan.