Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.5.2
10.3.5.2 De zaken Joubert en Pressos Compania Naviera
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197296:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 23 juli 2009, nr. 30345/05 (Joubert c. France).
Vgl. Pauwels 2012, p. 73-74.
EHRM 20 november 1995, nr. 17849/91 (Pressos Compania Naviera S.A. and Others v. Belgium), BNB 1996/123 m.nt. Feteris.
Zie hierover nader Pauwels 2009, p. 429-433.
Dit blijkt ook uit punt 86 van P. Plaisier B.V. a.o., waarin het EHRM overwoog: “The Pressos Compania Naviera S.A. and Others and Joubert judgments, relied on by the applicant companies, are inapposite in that they concern legislative intervention in pending judicial proceedings not retroactive tax legislation.”
In Joubert1 repareerde de wetgever een heffingsbevoegdheidsgebrek met terugwerkende kracht, maar deed dat pas toen de zaak al onder de rechter was. Als rechtvaardigingsgrond wees Frankrijk erop dat als het bevoegdheidsgebrek niet zou worden hersteld, de schatkist FF 1,1 miljard (ongeveer € 183 miljoen) zou mislopen. Bij de beoordeling van de legitimate aim maakte het EHRM duidelijk niet onder de indruk te zijn van de omvang van dit bedrag, dat bovendien niet kon worden onderbouwd. Hieruit zou afgeleid kunnen worden dat de terugwerkende kracht mogelijk wel aanvaardbaar zou zijn bij een omvangrijker financieel belang voor de staat. In de literatuur zijn echter twijfels geuit aan de juistheid van ‘s Hofs overwegingen in Joubert, zodat enige voorzichtigheid geboden is bij het trekken van conclusies uit dat arrest.2 Daar komt bij dat de wetgever intervenieerde in een voor de belastingplichtige kansrijke lopende procedure, wat denkelijk van grote invloed is geweest voor het oordeel van het EHRM dat artikel 1 Eerste Protocol was geschonden. Dat volgt uit ’s Hofs oordeel in de zaak Pressos Compania Naviera.3 In deze zaak vond het EHRM de door België aangevoerde budgettaire redenen om met terugwerkende kracht in te grijpen in bestaande aanspraken (de belanghebbenden hadden al een gunstig eerste-aanlegvonnis dat door de Belgische Staat in hoger beroep werd bestreden toen de Belgische wetgever de wet terugwerkend wijzigde) onvoldoende om de aantasting van het eigendomsrecht te rechtvaardigen:
“43. The financial considerations cited by the Government and their concern to bring Belgian law into line with the law of neighbouring countries could warrant prospective legislation in this area to derogate from the general law of tort. Such considerations could not justify legislating with retrospective effect with the aim and consequence of depriving the applicants of their claims for compensation. Such a fundamental interference with the applicants’ rights is inconsistent with preserving a fair balance between the interests at stake.”
Zowel in Joubert als Pressos Compania Naviera werden de door de Staat aangedragen financiële overwegingen onvoldoende geacht om terugwerkende kracht te rechtvaardigen, maar in beide zaken intervenieerde de wetgever in een lopende procedure. Dat is een omstandigheid waar het EHRM bijzonder kritisch op is4 en die mijns inziens ook maakt dat uit Joubert en Pressos Compania Naviera niet kan worden afgeleid dat louter financiële overwegingen geen terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen.5