Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/10.3
10.3 Het voorstel van Engelen c.s.
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS302010:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
F.A. Engelen, H. Vording, S van Weeghel, ‘Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscaal vestigingsklimaat’, WFR 2008/6777, p. 891-906.
Voor de defiscalisering van de groepsrente wordt verwezen naar paragraaf 4.3.6.
F.A. Engelen, H. Vording, S van Weeghel, ‘Wijziging van belastingwetten met het oog op het tegengaan van uitholling van de belastinggrondslag en het verbeteren van het fiscaal vestigingsklimaat’, WFR 2008/6777, p. 896.
Opmerkelijk genoeg wordt een dergelijke maatregel in het kader van de CCCTB juist omwille van het vestigingsklimaat verworpen: ‘It is considered that, despite the exemption of dividends from major shareholdings, interest on loans taken up for the acquisition of such shareholdings should in principle be deductible. To deny interest deductions would make the CCCTB extremely unattractive for EU groups with subsidiaries outside the EU.’ CCCTB: possible elements of a technical outline, CCCTB/WP057\doc\en, p. 32.
In dit voorbeeld is verondersteld dat het eigen vermogen dat toerekenbaar is aan de vaste inrichting gelijk is aan het eigen vermogen van dochtervennootschap 1.
Op 28 augustus 2008 is door Engelen, Vording en Van Weeghel een voorstel gedaan dat beoogt om de uitholling van de belastinggrondslag door middle van de aftrek van rente tegen te gaan en het vestigingsklimaat te verbeteren.1 Het plan introduceert twee nieuwe aftrekbeperkingen van de rente. In de eerste plaats wordt voorgesteld om de groepsrente te defiscaliseren. De rente op een lening van een verbonden lichaam is dan niet langer aftrekbaar. Daar staat tegenover dat de rente die is ontvangen van een verbonden lichaam niet meer wordt belast.2 In de tweede plaats suggereren Engelen c.s. om renten en kosten ter zake van schulden die verband houden met een deelneming in een verbonden lichaam bij het bepalen van de winst buiten aanmerking te laten. Of sprake is van een dergelijk verband wordt vastgesteld aan de hand van een forfaitaire methode. Daarbij wordt het eigen vermogen van de belastingplichtige zoveel mogelijk toegerekend aan de deelnemingen in een verbonden lichaam. Hieruit volgt dat de deelnemingen in verbonden lichamen slechts geacht worden met vreemd vermogen te zijn gefinancierd, indien en voor zover de schulden de overige bezittingen van de belastingplichtige overtreffen (volgens de terminologie van het voorgestelde art. 13a is dan sprake van een tekort aan eigen vermogen). De budgettaire opbrengst van deze maatregelen wordt ingezet om de dividendbelasting af te schaffen en het tarief van de vennootschapsbelasting te verlagen naar 20%. Daarnaast wordt de deelnemingsvrijstelling versoepeld. In deze paragraaf wordt de beperking van de aftrek van de rente terzake van schulden die verband houden met een deelneming in een verbonden lichaam beoordeeld.
Engelen c.s. constateren dat het huidige systeem tot ongelijkheid leidt tussen bedrijven die internationaal actief zijn en bedrijven die voornamelijk in Nederland hun activiteiten ontplooien. Deze laatste categorie heeft namelijk nauwelijks mogelijkheden de belastingpositie te optimaliseren, terwijl de eerste categorie, mede als gevolg van het Bosal-arrest, nauwelijks nog beperkingen ondervindt.3 Om deze reden stellen zij voor om derdenrente die verband houdt met een deelneming in een verbonden lichaam niet langer in aftrek toe te laten.4
Wordt de ongelijkheid tussen het binnenlandse en het internationale bedrijfsleven hiermee volledig weggenomen? Een internationaal opererend bedrijf kan zijn Nederlandse activiteiten in het voorstel van Engelen c.s. voor 100% financieren met extern vreemd vermogen zonder te worden geconfronteerd met de aftrekbeperking van artikel 13a. Een onderneming die alleen in Nederland actief is, heeft deze mogelijkheid niet: er is immers geen financiële instelling te vinden die een dergelijk bedrijf volledig met vreemd vermogen zal willen financieren.
Ter illustratie moge het volgende voorbeeld dienen. Daarin is de moedervennootschap in Nederland gevestigd en de dochtervennootschap daarbuiten. Hun balansen luiden als volgt:
Balans moedervennootschap
Balans dochtervennootschap
Belang dochter 200
EV 200
Activa 400
EV 200
Overige activa 200
VV 200
VV 200
De moedervennootschap heeft in dit voorbeeld geen tekort aan eigen vermogen omdat het eigen vermogen gelijk is aan de boekwaarde van de deelneming in de dochter. De moedervennootschap kan haar overige activa dus volledig met vreemd vermogen financieren zonder te worden geconfronteerd met een aftrekbeperking van de rente. Een nationaal opererend bedrijf dat dezelfde overige activa bezit maar geen dochtervennootschap heeft, zal zijn bezittingen echter niet volledig met vreemd vermogen kunnen financieren. Deze onevenwichtigheid is het gevolg van het feit dat het eigen vermogen in het voorgestelde art. 13a volledig aan de deelneming in de dochter mag worden toegerekend.
De volgende bedenking tegen het voorstel van Engelen c.s. is de ongelijkheid die wordt gecreëerd tussen een buitenlandse dochteronderneming en een vaste inrichting. Bij de berekening van het tekort aan eigen vermogen komt de boekwaarde van een deelneming namelijk wel in mindering op het eigen vermogen terwijl het eigen vermogen dat toerekenbaar is aan een vaste inrichting daarvan niet hoeft te worden afgetrokken.
Dit bezwaar kan worden toegelicht aan de hand van het volgende voorbeeld. Daarin heeft een Nederlandse moedervennootschap twee buitenlandse dochtervennootschappen. Hun balansen luiden als volgt:
Balans moedervennootschap
Balans dochtervennootschap 1
Balans dochtervennootschap 2
Belang dochter 1
150
EV 250
Activa
400
EV 150
Belang dochter 2
250
VV350
VV 250
Overige activa
200
Activa
400
EV 250
VV 150
De moedervennootschap heeft een tekort aan eigen vermogen van 150 (namelijk het eigen vermogen van 250 verminderd met de boekwaarde van de dochtervennootschappen van 150 respectievelijk 250). Wordt de onderneming van dochtervennootschap 1 gedreven in de vorm van een vaste inrichting dan zien de balansen van de moedervennootschap en dochtervennootschap 2 er als volgt uit:
Balans moedervennootschap
Balans dochtervennootschap 2
Belang dochter 1
250
EV 250
Activa
400
EV 250
Overige activa
600
VV 600
VV 150
De moedervennootschap heeft nu geen tekort aan eigen vermogen. Het eigen vermogen dat toerekenbaar is aan de vaste inrichting (van 150) blijft immers buiten aanmerking bij de berekening van het tekort.5
In de inleiding is aan een aftrekbeperking de eis gesteld dat zij betrekking moet hebben op de rente op de schulden waarmee ondernemingsactiviteiten zijn gefinancierd van andere groepsvennootschappen. Als gevolg van de hierboven gesignaleerde bezwaren voldoet het voorstel van Engelen c.s. naar mijn mening niet aan dit criterium.