Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.3.6.3.1
9.3.6.3.1 De vatbaarheid van een wilsrecht voor verpanding
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649022:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3:228 BW, Snijders 1999, p. 584.
Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de mogelijkheid om een optierecht over te dragen zonder dat het is uitgeoefend.
Bergervoet, artikel 83 Boek 3 BW, aant. 10.3.18. Zie tevens Zie Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314-316; Asser/Mijnssen, De Haan & Van Dam 3-I 2006, nr. 2; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 102; Schoordijk 1986, p. 252 en Drielsma 1975, p. 491 e.v.
Zie voorts Bergervoet, artikel 83 Boek 3 BW, aant. 51, waar Bergervoet aangeeft dat in de literatuur is geopperd dat artikel 3:83 lid 1 gewijzigd zou moeten worden om de mogelijkheid tot overdracht van verschillende wilsrechten te verduidelijken en mogelijk te maken. Het tekstvoorstel luidt: “de zelfstandige, door het afleggen van een verklaring tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen bevoegdheden, welke verklaring tot strekking heeft een overeenkomst met deze en dientengevolge een vorderingsrecht te doen ontstaan”.
Toel. Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 314.
Hof Amsterdam (OK) 11 juli 2013, JOR 2013/250.
HR 20 maart 2015, JOR 2015/140; NJ 2015/361. Zie echter HR 3 april 2015, JOR 2015/191; NJ 2015/255, waarin de schuldeiser geen beschikking diende te hebben over de hoofdvordering om over de 403-vordering te kunnen beschikken.
Om het wilsrecht dat uit een 403-verklaring voortvloeit te kunnen verpanden, moet het wilsrecht wel vatbaar zijn voor verpanding. Een wilsrecht wordt geacht vatbaar te zijn voor verpanding, wanneer dit een recht is dat wordt geacht overdraagbaar te zijn.1 Daarvoor zal de vraag moeten worden beantwoord of het wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring als zodanig – zonder dat het is uitgeoefend – overdraagbaar is.2 Helaas is er geen stelregel die bepaalt of een wilsrecht overdraagbaar is of niet. Per type wilsrecht moet worden beoordeeld of het vatbaar is voor overdracht en daarmee tevens vatbaar is voor verpanding.
Om vatbaar te zijn voor verpanding, dient een wilsrecht te kwalificeren als een recht – en daarmee als een goed – in de zin van artikel 3:83 BW:
Artikel 3:83 BW
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.
Daarmee is het antwoord op de vraag of een wilsrecht vatbaar is voor overdracht en verpanding nog niet duidelijker geworden. Niet ieder wilsrecht kwalificeert als een goed in de zin van artikel 3:83 BW:3
“Een ‘wilsrecht’ (recht op rechtsvorming) is de bevoegdheid om door een wilsverklaring, al dan niet gepaard gaande met een rechterlijke uitspraak, een nieuwe rechtstoestand te scheppen. Sommige wilsrechten kunnen als een (zelfstandig) vermogensrecht en daarmee als een goed worden beschouwd, andere niet. Zo worden in de literatuur o.a. een wilsrecht gericht op de vernietigingsmogelijkheid wegens wilsgebreken en de zuiver personen- en familierechtelijke wilsrechten (als bijvoorbeeld het recht een kind te erkennen) als voorbeelden genoemd van wilsrechten welke geen goederen in voornoemde zin zijn. Dergelijke wilsrechten zijn niet voor overdracht vatbaar.”
Aangezien de uitoefening van een wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring een zelfstandig vermogensrecht in het leven roept, lijkt het wilsrecht vatbaar te zijn voor overdracht en daarmee tevens vatbaar te zijn voor verpanding. Deze opvatting wordt ondersteund door de literatuur4 en de parlementaire geschiedenis, waar is opgemerkt:5
“Wanneer de bevoegdheid tot het in leven roepen van vorderingsrechten of zakelijke rechten als een zelfstandig vermogensrecht kan worden beschouwd (optierechten; rechten van wederinkoop enz.) zal de overdraagbaarheid van een dergelijke bevoegdheid worden bepaald door het recht, dat in het leven kan worden geroepen; het eerste en het tweede lid van het artikel zijn dus ook op deze bevoegdheden van toepassing.”
De overdraagbaarheid van het wilsrecht dat voortvloeit uit een 403-verklaring zou tot ongewenste gevolgen leiden. Wellicht kan op dit punt aansluiting worden gezocht bij de visie die terug is te vinden in de kwestie rondom de onteigening van vorderingsrechten op SNS Bank, waar de Ondernemingskamer betoogde dat een schuldeiser, die geen vordering meer heeft op de vrijgestelde rechtspersoon, niet meer onder de reikwijdte van de 403-verklaring valt en geen beroep meer kan doen op de 403-verklaring.6 De Hoge Raad lijkt de Ondernemingskamer op dit punt te hebben gevolgd.7