Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/6.5.2
6.5.2 De grenzen van het prijsgeven van aandeelhoudersrechten
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972043:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik ontleen deze term aan Van der Grinten, zie Van der Grinten 1991, p. 125.
Zie Handelingen I 1927/1928, p. 979: “Neen, Mijnheer de voorzitter, de zaak is eenvoudig zóó, dat naar de beginselen van ons privaatrecht de aandeelhouders die rechten hebben, en het is dus niet de vraag, of men die geven, maar of en in hoeverre men die ontnemen zal. Nu kan men natuurlijk zeggen – zooals hier ook gedaan is –: met dat ontnemen van dit recht aan de aandeelhouders heeft het recht zich niet te bemoeien; dat kan aan de contractsvrijheid worden overgelaten. (…) Het is, in overeenstemming met andere gebieden van het recht, dat men, ter bescherming, ik herhaal het, niet slechts van de aandeelhouders als groep, maar ook van de individueele aandeelhouders binnen de groep, een zeker minimum van rechten als onaantastbaar stelt.” Vgl. Schwarz 2009, met een kritische beschouwing van de Ramsley-zaak.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 191-193.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 73.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 73-74.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 54.
Zie Meinema (diss.) 2003, p. 54.
Zie Stokkermans 2008, p. 109-110.
Zie Stokkermans 2008, p. 110.
Zie Van Veen 2011, p. 19 e.v.
Zie Van Veen 2011, p. 21-22.
Hetzelfde principe geldt in het verbintenissenrecht, nu artikel 6:248 BW van dwingend recht is (zie Asser/Sieburgh 6-III 2022, nr. 315).
Artikel 2:15 BW.
Artikel 2:345 BW.
Artikel 2:336 resp. 2:343 BW. Zie ook Meinema (diss.) 2003, p. 54.
In de literatuur is verdedigd dat een contractuele afspraak tot het prijsgeven van aandeelhoudersrechten onder meer nietig is indien het aandeel als gevolg daarvan inhoudsloos zou worden gemaakt; ‘gedenatureerd’.1 Dat Boek 2 BW bepalingen kent waarvan naar hun aard niet kan worden afgeweken, is onomstreden. Bepaalde aandeelhoudersrechten zijn daarmee onaantastbaar. Er moet derhalve een ondergrens bewaakt blijven die maakt dat het aandeel een aandeel blijft. Dit strekt tot bescherming van de aandeelhouder.2 Hoewel deze ondergrens niet met zekerheid is vast te stellen, zie ik een zekere consensus in de literatuur.
Meinema stelt in haar proefschrift dat van nietigheid van de contractuele afspraak sprake is indien een individuele aandeelhouder geen enkele juridische mogelijkheid meer heeft om invloed uit te oefenen in de vennootschap en de algemene vergadering geen mogelijkheid meer heeft om toezicht uit te oefenen op de vennootschapsleiding.3 Zij spreekt in dit verband over het ‘Kernbereich’, zijnde een set van dwingende, niet voor afstand vatbare rechten.4 Dat Kernbereich is volgens Meinema beperkt tot het recht op vernietiging van besluiten, het enquêterecht, het recht op ontbinding van de vennootschap en het uittredings- en uitstotingsrecht.5 Ook aanspraken uit artikel 2:8 BW zouden niet voor afstand vatbaar zijn.6 Voor het overige zouden alle aandeelhoudersrechten in beginsel kunnen worden prijsgegeven, mits dit is beperkt tot bepaalde omstandigheden of een bepaalde periode.7
Stokkermans stelt in meer algemene zin dat een overeenkomstig nietig is indien deze naar inhoud of strekking neerkomt op het beschikken over onvervreemdbare rechten die de aandeelhouder in zijn eigen belang zijn gegeven.8 Daarvan is sprake indien de overeenkomst meebrengt dat de aandeelhouder afstand doet van zijn eigen aanspraken onder artikel 2:8 BW of van (bepaalde) (rechts)middelen waarmee hij die aanspraken kan waarborgen. Daartoe behoren onder meer het vergaderrecht, het recht op inlichtingen, het recht een buitengewone algemene vergadering te verzoeken, het recht op het vorderen van nietigverklaring of vernietiging van besluitvorming, het enquêterecht en de jaarrekeningprocedure.9 Tot een vergelijkbare conclusie komt Van Veen. Hij stelt dat gedrags- en taaknormerende voorschriften, waaronder artikel 2:8 BW, naar hun aard niet kunnen worden weggecontracteerd.10 Voorts zouden contractuele afspraken die ingrijpen in de formele bevoegdheidsverdeling, zodanig dat het daaruit voortvloeiende systeem van checks and balances wordt verstoord, nietig zijn op de voet van artikel 3:40 BW.11
Ik zou het voorgaande zo willen samenvatten dat de heersende mening inhoudt dat geen afstand kan worden gedaan van de fundamentele gedragsnorm die volgt uit artikel 2:8 BW12 noch van de controlerende aandeelhoudersrechten waarmee tegen schendingen van die gedragsnorm kan worden opgetreden. Een contractuele regeling met die strekking of uitwerking, is derhalve nietig op de voet van artikel 3:40 BW. Ik sluit mij daar graag bij aan. De nuanceverschillen tussen de standpunten van de verschillende hiervoor genoemde auteurs zien met name op de vraag welke controlerechten onaantastbaar zijn. In ieder geval zijn dit het recht op vernietiging van besluiten,13 het enquêterecht,14 en het uitstotings- of uittredingsrecht.15