Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.3.1:9.5.3.1 Inleiding
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/9.5.3.1
9.5.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648906:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Dooren 2015.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zoals aangegeven zoekt Van Dooren de oplossing voor de vele praktijkproblemen die door de huidige vrijstellingsregeling worden veroorzaakt – evenals Nass – binnen de hoofdelijkheid. Van Dooren betoogt een andere weg in te slaan en heeft zich gedistantieerd van de opvatting van Nass:1
“Een voorvraag met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij betreft of er sprake is van één schuld met twee schuldenaren, of twee schulden met twee schuldenaren. Nass en Nass bepleiten dat het gaat om één vordering met twee schuldenaren. Het bijzondere karakter van het groepsregime rechtvaardigt volgens hen een afwijking van de ‘reguliere’ wettelijke hoofdelijkheid. Zij zijn van mening dat er twee verbintenissen zijn: één jegens de 403-maatschappij op basis van de rechtshandeling waar de schuld uit voortvloeit en een ander tegenover de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring. Volgens hen past deze benadering in het wettelijk systeem van het groepsregime en het Akzo/ING-arrest.
Naar mijn mening volgt echter uit het Inalfa-arrest dat er sprake is van twee vorderingen met twee schuldenaren. In casu ging de hoofdvordering jegens de 403-maatschappij teniet maar bleef de vordering jegens de moedermaatschappij bestaan (in zoverre dat deze verminderde met het bedrag dat de crediteur had ontvangen van de 403-maatschappij). Hieruit blijkt dat een crediteur dus twee vorderingen heeft tegenover twee crediteuren. Beide vorderingen bestaan onafhankelijk van elkaar met de uitzondering dat (gedeeltelijke) nakoming van de één tevens de ander (gedeeltelijk) bevrijdt.”
Uit dit citaat leidt ik af dat Van Dooren ervan uitgaat dat er per definitie twee vorderingsrechten zijn. Van Dooren zet verder uiteen dat hij het verdedigbaar acht om drie vormen van hoofdelijkheid te onderscheiden:
‘directe hoofdelijkheid’, een vorm van hoofdelijkheid waarbij de regels van hoofdelijkheid onverkort worden toegepast;
een variant van hoofdelijkheid waarbij een van de hoofdelijke vorderingsrechten als een nevenrecht wordt beschouwd;
hoofdelijkheid waarbij sprake is van een ‘dynamische 403-vordering’.