De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken
Einde inhoudsopgave
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/10.3:10.3 Verbetering beproeven van een schikking
De civiele zitting centraal: informeren, afstemmen en schikken (BPP nr. VIII) 2010/10.3
10.3 Verbetering beproeven van een schikking
Documentgegevens:
Janneke van der Linden, datum 14-04-2010
- Datum
14-04-2010
- Auteur
Janneke van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS370264:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoe kan een betere onderhandelingsomgeving gecreëerd worden?
Voorstel 6:
De rechtbank/rechter creëert in de rechtszaal een meer onderhandelingsvriendelijke setting. De rechtbank zorgt ervoor dat er voor partijen gezamenlijk een afzonderlijke ruimte beschikbaar is voor de schikkingsonderhandelingen zodat zij dit niet op de gang hoeven te doen. Er wordt, als beide partijen daar behoefte aan hebben, meer tijd ingeruimd voor onderhandelingen tussen partijen, bijvoorbeeld door de zitting op een ander moment voort te zetten.
Toelichting:
Een betere onderhandelingsomgeving, zowel binnen als buiten de rechtszaal, en wat minder tijdsdruk voor partijen kan ertoe leiden dat het wettelijk doel ‘het beproeven van een schikking’ in hogere mate wordt bereikt. Er wordt uitgehaald wat erin zit om een schikking te beproeven en dwangschikkingen worden zoveel mogelijk voorkomen.
Bron:
Bij een aantal voorstellen in het vorige hoofdstuk wordt gewezen op het creëren van een betere onderhandelingsomgeving bij de rechtbank (Denlow, 2008; geïntegreerde mediation; het Gattinger Modeli; de pilot Conflictoplossing op maat; de pilot Güterichter).
Concrete uitwerking:
De wijze waarop het beproeven van een schikking op dit moment wordt vormgegeven is in feite een soort `quick-fix’ in een ruimte die niet erg onderhandelingsvriendelijk is en waarbij bovendien vaak grote tijdsdruk bestaat om samen tot een oplossing te komen. En dat terwijl uit onderzoek blijkt, dat een zekere tijdsdruk bij onderhandelingen wel werkt, maar een (te) hoge tijdsdruk niet (Carnevale e.a., 1993; De Dreu, 2003; Harinck & De Dreu, 2004). Partijen die al maanden of jaren samen een conflict hebben, krijgen tijdens een zitting niet of nauwelijks de tijd om ‘afscheid’ te nemen van hun geschil en als zij tijdens de zitting een regeling willen treffen, moeten zij dat snel doen. Als de rechterlijke macht het idee van dergelijke `quick-fix’ zou verlaten en meer zou streven naar een schikking die voor beide partijen echt acceptabel is, zou een mogelijke uitwerking van dit voorstel de volgende zijn.
De opstelling in de rechtszaal van de tafels is tijdens het beproeven van een schikking dusdanig dat partijen elkaar kunnen aankijken. In de huidige opstelling zouden de tafels een kwartslag gedraaid kunnen worden. De tafels kunnen gedurende de gehele zitting in die opstelling staan — dat is in Duitsland bijvoorbeeld het geval — maar de rechter zou partijen ook kunnen verzoeken de tafels te draaien op het moment dat wordt begonnen met het beproeven van een schikking. Dit heeft als voordeel dat het voor partijen letterlijk zichtbaar wordt dat een nieuwe fase begint: zij moeten het samen oplossen, de rechter zit (letterlijk) aan de zijlijn. Een andere mogelijkheid is om bij rechtbanken speciale ruimtes in te richten voor het beproeven van een schikking, die wat onderhandelingsvriendelijker zijn (denk aan: een wat minder formele setting, ronde tafel, wat te drinken, etc.).
Bij een prettige onderhandelingsomgeving hoort ook een ruimte waarin partijen (met advocaten) samen kunnen overleggen zodat dit niet op de gang — tussen vreemde mensen en met weinig privacy — hoeft te gebeuren. Bij sommige rechtbanken bestaan al afzonderlijke overlegruimtes voor partijen. Bij rechtbanken waar dat niet het geval is, zou gebruik kunnen worden gemaakt van een zittingszaal die op dat moment niet gebruikt wordt of — als er geen vrije zittingszalen zijn — van de rechtszaal waarin de zitting plaatsvindt. De rechter en griffier zullen dan de rechtszaal moeten verlaten.
Verder zou de hoge tijdsdruk die nu bij veel zittingen aanwezig is, verminderd kunnen worden door partijen de mogelijkheid te bieden om — als zij daar allebei wat in zien — de zitting aan te houden, zodat zij op een later moment verder kunnen praten en wat meer tijd krijgen om samen, onder begeleiding van de rechter, tot een voor hen beiden acceptabele oplossing te komen.
Hoe gaan de aanwezigen te werk bij het beproeven van een schikking?
Voorstel 7:
De rechter bespreekt met partijen de verschillende mogelijkheden om hun geschil af te doen. Hij informeert welke afdoeningswijze hun voorkeur heeft en bespreekt met hen de voor- en nadelen van deze en de overige afdoeningswijzen (zie ook voorstel 3). De rechter kan partijen wijzen op de gevolgen van doorprocederen voor wat betreft tijd, kosten, belasting en/of toekomstige relatie, maar hij hamert daar niet op door. De rechter draagt er zelf aan bij, dat de nadelen van doorprocederen zo klein mogelijk zijn, door met partijen in kaart te brengen hoe de verdere procedure tot het eindvonnis er waarschijnlijk uit zal zien en dit verdere verloop zo efficiënt mogelijk te plannen. De rechter geeft partijen goede informatie over hun vrijheid om te schikken en over zijn rol als facilitator (zie ook voorstel 2) en gedraagt zich daar ook naar. De rechter vraagt partijen hoe hij hen het beste kan faciliteren/helpen bij een schikking en informeert hen op welke punten een voorlopig oordeel mogelijk is. Hij geeft niet ongevraagd een voorlopig oordeel en is terughoudend met het noemen van (een bandbreedte van) concrete schikkingsbedragen.
Toelichting:
Door deze werkwijze wordt het wettelijk doel ‘het beproeven van een schikking’ in hogere mate gerealiseerd. Deze werkwijze zal er waarschijnlijk toe leiden dat eruit gehaald wordt wat erin zit om een schikking te bewerkstelligen. Ook zal deze werkwijze waarschijnlijk leiden tot minder dwangschikkingen.
Bron:
De ABA model gedragscode, Denlow (2000), Gottwald en Treuer (2005), Katz (2009) en Parness (2006) geven aan dat de wensen en behoeften van de aanwezige partijen bepalend zouden moeten zijn voor de vraag of de rechter een schikking beproeft en hoe ver hij daarin gaat. Veel (met name Amerikaanse) voorstellen uit het vorige hoofdstuk gaan over het voorkomen van dwangschikkingen (de ABA model gedragscode; de Code of Conduct for United States Judges; Denlow, 2006; Floyd, 1994; Gottwald & Treuer, 2005; de Handleiding regie vanaf de conclusie van antwoord; Parness, 2006; Resnik, 2004; rechtspraak over dwangschikkingen in de Verenigde Staten; Van der Linden e.a., 2009; Welsh, 2001; Wissler, 2002).
Een aantal voorstellen uit hoofdstuk 9 benadrukt specifiek dat goede uitleg over de keuzevrijheid van partijen bij een schikking van belang is (Denlow, 2006) of dat de rechter zijn rollen als beslisser en bemiddelaar duidelijk van elkaar moet scheiden (de Civil Litigation Manual; Floyd, 1994; geïntegreerde mediation; het Gattinger Modell; de pilot Güterichter; Parness, 2006; Steenberghe, in: Verschoof e.a., 2008; Resnik, 2004). Ten slotte komt uit de onderzoeken van Van der Linden e.a. (2009) en Wissler (2009) naar voren dat de kans op een (ervaren) dwangschikking groter wordt als de rechter schikkingsbedragen noemt die volgens hem redelijk zijn.
Concrete uitwerking:
Een mogelijke uitwerking van dit voorstel zou de volgende zijn. De rechter vraagt wat de behoeften en zorgen zijn van partijen en wat hun wensen zijn voor de verdere afdoening. Welke vragen de rechter in dit kader kan stellen, heb ik beschreven in de eerste alinea bij de concrete uitwerking van voorstel 3. De rechter bespreekt met partijen de voor- en nadelen van de verschillende afdoeningswijzen. Hij vult de voor- en nadelen niet voor hen in, maar vraagt hen hoe zij deze zien en helpt hen deze in kaart te brengen. De rechter kan partijen in dat kader waarschuwen voor de nadelige gevolgen van doorprocederen voor wat betreft tijd, kosten, belasting en/of toekomstige relatie. De rechter blijft echter niet doorhameren of steeds terugkomen op de nadelen van doorprocederen. Dat wekt de indruk dat de rechter zelf heel graag een schikking wil. Wat de rechter wel kan doen, is als hij denkt dat partijen niet goed doordrongen zijn van de nadelen van doorprocederen — nog een keer controleren of deze boodschap bij partijen is aangekomen, door vragen te stellen als: Hoe ziet in uw ogen de verdere procedure eruit? Zullen we eens samen bekijken wat het zou betekenen als de procedure wordt voortgezet? Wat kunnen we dan verwachten? Daarnaast draagt de rechter zoveel mogelijk bij aan het verkleinen van de nadelen van doorprocederen door met partijen te bespreken hoe de weg tot het eindvonnis er waarschijnlijk uitziet en deze weg zo efficiënt mogelijk te plannen. Zo zou de rechter bijvoorbeeld met de procesdeelnemers kunnen afstemmen of de gebruikelijke termijnen (voor bijvoorbeeld het nemen van een akte, repliek of het wijzen van een (tussen)vonnis) wat verkort kunnen worden.
De rechter geeft goede informatie over het beproeven van een schikking, onder andere over de vrijheid van partijen om al dan niet te schikken, zijn faciliterende rol in deze fase en de mogelijkheid van een voorlopig oordeel (zie ook ‘uitleg over het beproeven van een schikking’ onder de concrete uitwerking van voorstel 2). Ook maakt hij de overgang van de inlichtingenfase naar de schikkingsfase (of andersom) voor partijen inzichtelijk (zie voorstel 3).
De rechter stemt met partijen af op welke wijze hij hen het beste kan helpen met het beproeven van een schikking (soort plan van aanpak). Vinden zij het prettig om eerst zonder zijn hulp samen te praten? Wat kan de rechter (daarna) voor hen doen? Vinden zij het prettig om van de rechter iets te horen over hoe hij tegen de zaak aankijkt? Als partijen de visie van de rechter willen horen, stemt de rechter met hen af waarover hij iets kan zeggen: de vragen (of de kernvraag) die de rechter in het vonnis zal moeten beantwoorden (al dan niet met de voorlopige visie van de rechter op die vragen), hoe de rechter op dit moment aankijkt tegen het bewijs (Komt er een bewijsopdracht? Wie draagt de bewijslast?). Ook kan de rechter met partijen doornemen op welke punten beslist moet worden en kan hij hen per punt vragen een inschatting te maken (in procenten) van de eigen kansen zodat de rechter deze inschattingen van partijen vervolgens kan bijsturen.
Het is waarschijnlijk minder verstandig om een bandbreedte van bedragen of specifieke bedragen te noemen die volgens de rechter redelijk zijn voor een schikking, omdat dergelijke oordelen de kans op een dwangschikking blijken te vergroten. Het is echter ook mogelijk dat de ervaren dwang bij dergelijke oordelen meer zit in de manier waarop zo’n oordeel wordt gegeven. Als de rechter een (range van) bedrag(en) noemt en ruimte laat voor verder debat, zullen partijen waarschijnlijk eerder het gevoel van gehoord worden en participatie hebben, dan wanneer hij zo’n oordeel stellig poneert. Maar er is op dit punt nog verder onderzoek nodig.
De rechter geeft niet ongevraagd een voorlopig oordeel. Hij informeert dus altijd eerst of partijen daar behoefte aan hebben. Als beide partijen te kennen geven geen voorlopig oordeel te willen — wat in de praktijk waarschijnlijk niet vaak zal voorkomen — doet de rechter dit ook niet. Als één van de partijen aangeeft een voorlopig oordeel te willen horen en de andere niet, geeft de rechter wel een voorlopig oordeel. Daarbij is het denkbaar dat de rechter — om wat tegemoet te komen aan de partij die geen voorlopig oordeel wil — dit voorlopig oordeel pas na een eerste schorsing (waarin partijen kunnen onderhandelen) geeft.
De rechter geeft, ondanks de bezwaren van één van de partijen, een voorlopig oordeel omdat partijen hierdoor een realistisch beeld van hun eigen positie krijgen, de rechter een eventuele machtsonbalans tussen partijen kan wegnemen en hij partijen die te zeer de hakken in het zand hebben gezet, weer met beide benen op de grond kan zetten. Het voorlopig oordeel van de rechter kan partijen niet alleen helpen in hun schikkingsonderhandelingen, maar het geeft partijen ook vast een idee van het definitieve oordeel van de rechter.
De rechter geeft partijen (kort) de gelegenheid om op zijn voorlopig oordeel te reageren als zij daar behoefte aan hebben. Daarbij geeft hij er — juist op dit cruciale moment — blijk van open te staan voor wat partijen inbrengen, zonder in de verdediging te schieten. Communicatieve vaardigheden luisteren hier nauw.
De rechter stopt met het beproeven van een schikking als één of beide partijen duidelijk te kennen geven niet verder te willen praten over een oplossing.