Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.6.5
4.3.6.5 Uitzonderingen in alimentatiezaken
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS377423:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
NJ 1992, 407 (JBMV).
Dit volgt immers uit het niet door de Hoge Raad in zijn overwegingen genoemde art. 1:401 lid 1 BW: 'Een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van de omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.' Lid 4 voegt daar aan toe: 'Een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud kan ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.'
Herhaald en bevestigd in o.m. HR 28 februari 1992, NJ 1992, 409; HR 5 november 1999, NJ 2000, 65; HR 7 december 2001, NJ 2003, 76 (DA) en het hieronder nog aan bod komende HR 10 oktober 2003, NJ 2005, 104 (DA).
HR 16 oktober 1992 (Minguell/Lisse), NJ 1993, 2 en HR 28 april 2000, R 991041, LJN AA5638, met verwijzing naar de gronden genoemd in de conclusie van A-G Wesseling-van Gent. Zie de nr. 2.22.4 van de conclusie.
NJ 2005, 104 (DA).
179. In de hierboven reeds genoemde beschikking van 26 april 19911 heeft de Hoge Raad voor geschillen die uitsluitend een uitkering tot levensonderhoud betreffen, een uitzondering aanvaard op de in beginsel strakke regel dat de appèlrechter geen acht mag slaan op grieven die eerst bij pleidooi in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij de wederpartij er ondubbelzinnig in heeft toegestemd dat zij alsnog in de rechtsstrijd worden betrokken. Deze uitzondering is gegrond op de aard van dergelijke geschillen, welke aard naar het oordeel van de Hoge Raad immers medebepalend is voor hetgeen een goede procesorde in hoger beroep meebrengt.
De aard van alimentatiegeschillen wordt volgens de Hoge Raad vooral daardoor bepaald, dat de rechterlijke uitspraak waarbij een dergelijke uitkering wordt vastgesteld, in beginsel vatbaar is voor wijziging - zelfs met terugwerkende kracht - indien bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens, dan wel indien sedert de uitspraak de daaraan ten grondslag liggende omstandigheden in relevante mate zijn gewijzigd.2 Beide partijen bij een dergelijk geschil hebben er dan ook belang bij dat de vaststelling berust op een juiste en volledige waardering van relevante omstandigheden, zoals die zijn ten tijde van de uitspraak in hoogste ressort. Een onverkort vasthouden aan de regel dat de appèlrechter geen acht mag slaan op grieven die eerst bij pleidooi in hoger beroep worden voorgedragen, tenzij de wederpartij er ondubbelzinnig in heeft toegestemd dat zij alsnog in de rechtsstrijd worden betrokken, kan daaraan echter in de weg staan. Daarom wettigt de aard van het geschil volgens de Hoge Raad een uitzondering op die regel te aanvaarden en aan te nemen dat de appèlrechter bij zijn beslissing aangaande een dergelijk geschil rekening mag houden met feiten waarop de appellant eerst na het formuleren van zijn grieven beroep doet, ook indien daarin niets anders dan een nieuwe grief kan worden gezien.3 Dat de verwerende partij, door het toelaten van een nieuwe grief, mogelijk een debat in twee instanties over de daardoor aan de orde gestelde feiten wordt onthouden, doet hier niet aan af. Het miskent immers dat deze consequentie eigen is aan de devolutieve werking van het hoger beroep. Wel brengen de eisen van een goede procesorde volgens de Hoge Raad in een dergelijk geval mee dat de wederpartij genoegzaam gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, om ook overigens haar standpunt te herzien.
Dat de eisen van een goede procesorde kunnen meebrengen dat de rechter in een gegeven geval, mede gelet op de aard van een geding betreffende levensonderhoud, acht mag slaan op grieven die voor het eerst bij pleidooi zijn voorgedragen, doet overigens niet af aan de eis dat het beroepschrift waarmee hoger beroep wordt ingesteld, de gronden dient te bevatten waarop het hoger beroep berust. Voert appellant in het beroepschrift geen enkele grief aan, dan kan hij dat verzuim in beginsel niet met een beroep op de aard van het geding herstellen door later in de procedure, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, alsnog grieven aan te voeren.4
180. Het belang van appellant én geïntimeerde om, gelet op de mogelijkheid in een volgende procedure de uitspraak te wijzigen, in alimentatieprocedures een beslissing te verkrijgen die zo veel mogelijk aansluit bij de werkelijke situatie van partijen op het moment dat de uitspraak wordt gedaan, weegt kortom zwaarder, dan het belang van geïntimeerde om bij het inrichten van het verweer ervan uit te mogen gaan dat de omvang van de rechtsstrijd in appèl door de in dat beroepschrift aangevoerde grieven is vastgelegd. Aan de omstandigheid dat geïntimeerde onredelijk bemoeilijkt zou kunnen worden doordat appellant later in de procedure nieuwe grieven aanvoert, kan worden tegemoetgekomen door geïntimeerde voldoende gelegenheid te geven zich tegen die nieuwe grieven te verweren. Men bedenke voorts dat het streven om een onredelijke vertraging van het geding te voorkomen, sterk wordt gerelativeerd door de mogelijkheid van wijziging van de uitspraak in een volgend geding. Laat de rechter een laat aangevoerde nieuwe grief buiten beschouwing omdat toelating daarvan tot een onredelijke vertraging van het geding zou kunnen leiden, dan is het nog maar de vraag of daarmee de belangen die worden beschermd door het streven onredelijke vertraging te voorkomen uiteindelijk zijn gediend. Het passeren van die grief kan voor appellant aanleiding vormen om na de uitspraak een nieuwe procedure te starten. Anderzijds bedenke men dat geïntimeerde nadat de appèlrechter uitspraak heeft gedaan, in ieder geval zekerheid heeft over datgene waartoe hij ten opzichte van appellant gerechtigd of verplicht is voor zolang die uitspraak niet na een nieuwe procedure is gewijzigd. De mogelijkheid van appellant om ook na het be-roepschrift nog nieuwe grieven op te werpen, mag er niet toe leiden dat appellant de procedure onredelijk lang kan rekken en geïntimeerde al die tijd in onzekerheid kan doen verkeren over de houdbaarheid van de uitspraak van de rechter in eerste aanleg.
181. Uit een beschikking van de Hoge Raad van 10 oktober 20035 kan worden opgemaakt dat de rechter in een alimentatieprocedure onder omstandigheden aan appellant zelfs gelegenheid dient te bieden om na het beroepschrift alsnog nieuwe grieven aan te voeren, daarbij verweerder genoegzaam gelegenheid biedend zijn verweer tegen die bezwaren aan te vullen en, voor zover nodig, ook overigens zijn standpunt te herzien.
In hoger beroep voerde appellante (de vrouw) in het beroepschrift aan dat de rechtbank het recht op hoor en wederhoor had geschaad. Primair verzocht de vrouw daarbij de man in zijn oorspronkelijk verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, 'desnodig met gelijktijdige verwijzing naar de Rechtbank', subsidiair verzocht zij het oorspronkelijk verzoek van de man af te wijzen. De zaak werd daarop mondeling behandeld, waarbij het hof de behandeling beperkte tot de ontvankelijkheid van de vrouw in haar beroep. In cassatie oordeelde de Hoge Raad (in een overweging ten overvloede) dit een onjuiste gang van zaken. Daartoe overwoog hij dat bij een gegrondbevinding van een op schending van hoor en wederhoor gerichte grief, de devolutieve werking van het hoger beroep meebrengt dat de zaak door het hoger beroep in zijn geheel naar het hof wordt overgebracht. De vrouw had dan ook in het hoger beroep mede inhoudelijk moeten ingaan op het oorspronkelijke inleidende verzoek van de man. Door te volstaan met het primaire verzoek de zaak 'desnodig' terug te verwijzen naar de rechtbank en subsidiair alleen te verzoeken het oorspronkelijk verzoek van de man af te wijzen, had de vrouw dit miskend. Daarop liet de Hoge Raad echter volgen dat de aard van het onderhavige geschil, uitsluitend betreffende een uitkering tot levensonderhoud, wettigde dat het hof rekening mocht houden met feiten waarop appellante eerst na het formuleren van haar grieven beroep deed, ook indien daarin niet anders dan een nieuwe grief kon worden gezien. Tegen die achtergrond en in aanmerking nemend dat ook de man blijkens zijn verweerschrift in hoger beroep had begrepen wat de inzet van het hoger beroep was, dat hij ook in hoger beroep had aangevoerd dat en waarom de alimentatie op nihil diende te worden gesteld en dat hij blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof stelde belang te hebben bij een inhoudelijke behandeling, had het hof naar het oordeel van de Hoge Raad niet, gelijk het had gedaan, de mondelinge behandeling mogen beperken tot de vraag of de vrouw in haar hoger beroep kon worden ontvangen. 'Het had de vrouw in de gelegenheid moeten stellen haar bezwaren tegen de toewijzing van het inleidend verzoek van de man te adstrueren.'
182. De Hoge Raad heeft in bovengenoemde beschikkingen niet uitgesproken dat de rechter een nieuwe grief die pas wordt aangedragen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van een alimentatiegeschil moet toelaten, doch slechts dat hij dat mag doen. Aangezien de 'strakke grievenregel', evenals de daarop aanvaarde uitzondering, door de Hoge Raad wordt gebaseerd op de eisen van een goede procesorde in hoger beroep, mag worden verondersteld dat de rechter de toelaatbaarheid van een dergelijke grief in het concrete geval ook aan de hand van de eisen van een goede procesorde dient te beoordelen. Voor het aan te leggen toetsingscriterium maakt het dan niet uit of nieuwe stellingen al dan niet als grief moeten worden gekwalificeerd. Dit betekent echter niet dat een laat aangevoerde grief even snel wordt toegelaten, als een laat aangevoerde stelling die niet als nieuwe grief kan worden aangemerkt. Omdat een nieuwe grief de grenzen van de rechtsstrijd verlegt en daarom veelal ingrijpender is voor de beoordeling van het geschil dan een nieuwe stelling die geen grief inhoudt, zal een nieuwe grief eerder nopen tot een uitgebreid voortgezet onderzoek en debat tussen partijen. De rechter kan oordelen dat het geding voor een dergelijk uitgebreid voortgezet onderzoek en debat geen plaats meer is en de nieuwe grief daarom passeren, ook al houdt dit in dat appellant vervolgens een nieuwe procedure kan beginnen waarin hij aan zijn vordering of verzoek alsnog het in de niet toegelaten grief aangevoerde ten grondslag legt.