Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.1:6.1 Inleiding
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661268:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/166 en zie ook 165.
Vgl. Damen 2018, p. 32: ‘(…) hoe twee werelden met elkaar kunnen schuren en zelfs botsen: de leefwereld van een gewone burger en de harde juridische realiteit van het systeem’;Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/166.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat centraal hoe het juridisch perspectief zich verhoudt tot het burgerperspectief als het gaat om het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen. Het uitgangspunt van het betoog vormt de tussenconclusie uit Deel I dat het geldende recht – de huidige toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting – niet goed meer is afgestemd op de werkelijkheid die het bestrijkt.1 Mijn veronderstelling is dat het juridisch perspectief op dit punt conflicteert met het burgerperspectief. Nu zal worden onderzocht of, en in hoeverre, de perspectieven inderdaad schuren of zelfs botsen.2 Deze nadere probleemanalyse draagt bij aan een diepgaander begrip van het conflict tussen beide perspectieven.3
In dit hoofdstuk beantwoord ik de deelvraag: Welke toegevoegde waarde biedt de confrontatie van het juridisch perspectief met het burgerperspectief voor de herijking van de toepassing van het vertrouwensbeginsel bij voorlichting? Doel van het hoofdstuk is om te analyseren of (en zo ja, waar en waarom) de huidige juridische koers ten aanzien van het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen conflicteert met het burgerperspectief en bijstelling behoeft. Mijn methode daarbij is als volgt. Ik neem als uitgangspunt het juridisch perspectief (Deel I) en vergelijk dat met het burgerperspectief (Deel II). De confrontatie is functioneel, dus deze is erop gericht om voor de onderzoeksvraag relevante overeenkomsten, verschillen en knelpunten tussen de perspectieven te identificeren. De gekozen aanpak kan bovendien helpen een ander licht te werpen op aannames die in het juridisch perspectief bij voorlichting worden gehanteerd.
Ter beantwoording van de deelvraag begin ik met zeven aan de voorlichtingsjurisprudentie ontleende casusposities. Aan de hand van deze concrete gevallen zal ik analyseren hoe de toepassing van beide perspectieven in specifieke situaties uitwerkt (paragraaf 6.2). Vervolgens zal ik dieper ingaan op twee aspecten die uit de vergelijking van perspectieven naar voren komen en nadere aandacht verdienen. Enerzijds betreft dat de positie van de Belastingdienst bij zijn voorlichtende taak als ‘vertaler’ (paragraaf 6.3). Anderzijds betreft dit het specifieke karakter van voorlichting als door de Belastingdienst gemaakte trade-off tussen juridische juistheid en begrijpelijkheid (paragraaf 6.4). Duidelijk wordt dat het juridisch perspectief op onderdelen conflicteert met het burgerperspectief en het nodig is terug te blikken op de relevantie van het burgerperspectief voor het belastingrecht (paragraaf 6.5). Ik sluit af met een conclusie (paragraaf 6.6).
De relevantie van dit hoofdstuk in relatie tot de centrale onderzoeksvraag is dat beter inzichtelijk wordt, of (en waar) het juridisch perspectief moet worden bijgesteld. Al met al biedt de confrontatie met het burgerperspectief niet alleen beter zicht op het probleem, maar ook inspiratie voor oplossingsrichtingen.