Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/6.5
6.5 Opnieuw: Waarom is het burgerperspectief relevant voor het juridisch perspectief?
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661276:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Nationale ombudsman, Jaarverslag 2015, par. 1.3-1.5.
Het vertrouwen in de overheid staat onder druk, zie bijv. https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2021/01/26/kwart-nederlanders-heeft-gebrek-aan-vertrouwen-in-instituties-van-de-rechtsstaat, https://www.nationaleombudsman.nl/overheid-moet-vertrouwen-terugwinnen, https://www.raadvanstate.nl/publicaties/toespraken-vice-president/investeren-in-vertrouwen/, https://www.scp.nl/actueel/nieuws/2021/06/30/scp-hoge-verwachtingen-van-overheid-in-overgangsfase-coronacrisis-daling-politiek-vertrouwen, en https://www.eur.nl/nieuws/dalend-vertrouwen-de-overheid-en-toenemende-onvrede-met-het-overheidsbeleid-na-1-jaar-pandemie (alles laatstelijk geraadpleegd 31 oktober 2021). Zie ook L.G.M. Stevens, ‘Hoge Raad geeft een zetje aan herstel van vertrouwen’ in het FD van 13 december 2021 via https://fd.nl/opinie/1422374/hoge-raad-geeft-een-zetje-aan-herstel-van-vertrouwen. Zie ook het Jaarverslag Raad van State 2020, p. 9-33; Damen 2018, par. 2.1.
Damen 2018, p. 35: ‘Zonder een realistisch burgerbeeld, ook van openbaar bestuur en bestuursrechter, zal de rechtsvervreemding alleen maar toenemen. (…) Het openbaar bestuur zou zijn verwachtingenmanagement ook op zo’n burgerbeeld moeten afstemmen.’
Zie Nationale ombudsman brief 2021/098 van 24 juni 2021 met update van 29 september 2021, waarin de Ombudsman schrijft dat de burger ‘moet kunnen vertrouwen op informatie die wordt gegeven door medewerkers van een overheidsinstantie’. In deze zaak had de Belastingdienst niet meteen de fout toegegeven (‘een gemiste kans’, aldus de Ombudsman), maar later wel (‘een goede zaak’), hoewel de Ombudsman daarbij wel aantekent dat de Belastingdienst ‘wel meer aandacht [had] kunnen geven aan het feit dat het vertrouwen van de vrouw in de Belastingdienst is beschadigd’. Zie ook Nationale ombudsman 2018, p. 243: ‘Wat vindt de burger er zelf eigenlijk van?’. Volgens de ombudsman moet aan burgers zelf worden gevraagd hoe het zit met hun vertrouwen in de overheid in allerhande situaties waarin dat vertrouwen onder druk kan komen te staan.
De Belastingdienst zet ‘bouwen aan vertrouwen’ op één, zie de titel van het Jaarplan Belastingdienst 2022. Zie over de uitvoeringsstrategie paragraaf 2.3.3 en hoofdstuk 3.
Nationale ombudsman, Jaarverslag 2015, par. 1.3.
Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken 2021, p. 3. Zie ook Douma 2020, p. 20 die erop wijst dat bellers met de BelastingTelefoon achteraf machteloos staan wanneer de inspecteur achteraf een andere mening heeft, en dat dit leidt ‘tot boosheid en frustraties’ bij burgers.
Zie ook de stories in Damen 2018.
Meussen 2021; Meussen 2018.
Scheltema 1997, p. 5.
Tussen het juridisch perspectief en het burgerperspectief bestaat een conflict ten aanzien van het aan voorlichting te ontlenen vertrouwen. Waarom zou het juridisch perspectief zich daarvan iets moeten aantrekken? Het gaat hier immers om twee volstrekt andere invalshoeken die logischerwijs tot andere uitkomsten leiden. De juridische werkelijkheid is nu eenmaal anders dan de alledaagse of communicatieve werkelijkheid. De juridische werkelijkheid dient een doel (regelen van rechtsverhoudingen, vastleggen van normen, wegen van belangen, etc.).1 Het is onvermijdelijk dat die benadering afwijkt van de leefwereld van de burger, dus waarom zou het juridisch perspectief überhaupt iets moeten doen met inzichten uit een ander perspectief?
Het antwoord is eenvoudig. Omdat het recht er is voor de burger – en niet andersom (paragraaf 2.2.3). Wanneer de toepassing van het vertrouwensbeginsel in het juridisch perspectief niet meer herkenbaar of begrijpelijk is voor de burger, leidt dat tot rechtsvervreemding. Wanneer een kloof ontstaat tussen enerzijds de mate van bescherming die het belastingrecht de burger biedt en anderzijds de mate van bescherming die de burger verwacht, vervreemdt het recht zich van de burger. De perspectieven lopen dan te sterk uiteen. Dat kan gevolgen hebben in termen van vertrouwen in en legitimiteit van de overheid.2 In de literatuur is daarvoor eerder gewaarschuwd, zoals door Damen en Scheltema.3 Schending van bij de burger gewekt vertrouwen kan dus beschadigend zijn voor het vertrouwen van de burger in de Belastingdienst en de overheid in het algemeen.4 Tanend vertrouwen van de samenleving in de Belastingdienst is bovendien bedreigend voor belastingheffing, aangezien de uitvoeringsstrategie van de Belastingdienst is gebaseerd op het fundament van vertrouwen.5
Als de burger uit het oog wordt verloren, dan gaat het, zoals de Ombudsman schreef, gemakkelijk mis tussen ‘de burger en zijn overheid.’6 Onlangs waarschuwde Van Hout in haar voorwoord van het rapport van de Adviescommissie praktische rechtsbescherming in belastingzaken voor de gevolgen van het uit het oog verliezen van de burger in het belastingrecht:
‘Belastingheffing is essentieel om onze samenleving te kunnen financieren maar het is net zo belangrijk dat die heffing op een behoorlijke wijze plaatsvindt. Belastingheffing waarbij geen of onvoldoende oog is voor de menselijke maat tast niet alleen de legitimiteit van de overheid aan, maar het kan ook leiden tot stress, frustratie, onmacht of het kan relaties onder druk zetten. Het kan leiden tot gezondheidsproblemen, vereenzaming, of het ontneemt mensen de lust van het ondernemerschap of de mogelijkheid van een leefbaar bestaan. Dit geldt met name voor de mensen die toch al kwetsbaar zijn en afhankelijk zijn van de overheid. Daarom is het belangrijk dat, zeker in tijden van crisis, de belangen van een goed gevulde schatkist nooit de belangen van de rechtsstaat overschaduwen.’7
Begrippen als rechtsvervreemding, legitimiteit en betrouwbaarheid zijn gewichtige, abstracte woorden. Echter, een blik op de betogen van de belanghebbenden in de casusposities in de onderliggende uitspraken illustreert hoe gevoelens van frustratie, vervreemding en onbegrip zich bij burgers daadwerkelijk manifesteren.8
Zo vroeg de invalide autobezitter zich af wat voor ‘zin’ het eigenlijk heeft om afspraken te maken met de Belastingdienst en te bellen (casuspositie 1). De notaris is duidelijk verontwaardigd over de risicoverdeling en ziet geen enkel belang voor burgers bij een ‘onbelemmerde’ uitvoering van de voorlichtende taak als dat betekent dat zij het risico op fouten in toelichtingen dragen (casuspositie 2). De echtgenote vraagt zich gefrustreerd af waarom de Belastingdienst onzorgvuldige voorlichting mag geven en vervolgens ‘zomaar’ op zijn woord mag terugkomen (casuspositie 5). De co-ouder doet haar best en verifieert haar lezing van de website zelfs bij de BelastingTelefoon, maar vangt achteraf toch bot (casuspositie 6). De burger die zijn lijfrente afkoopt op grond van onjuiste informatie, krijgt weliswaar uiteindelijk gelijk, maar heeft daarvoor wel jarenlang moeten procederen (casuspositie 7). Deze burgers raken, zo blijkt wel, daadwerkelijk vervreemd van het recht.
Dit zijn geen zaaknummers, maar mensen. Het zijn weliswaar voorbeelden, maar de onderliggende arresten zijn representatief voor gevallen waarin de belastingrechter over aan voorlichting ontleend vertrouwen oordeelt. Dergelijke reacties geven dus een representatief inkijkje in ‘de werkelijkheid’ waarop het belastingrecht hier ziet.
Bovendien rijst bij de casusposities – nog los van hoe de belastingrechter uiteindelijk oordeelt, maar vanuit menselijk oogpunt – de vraag, zoals Meussen schreef: ‘moet je dit als Belastingdienst nu willen?’9 De Belastingdienst heeft weliswaar op basis van het geldende recht juridisch houdbare standpunten, maar waarom wordt geprocedeerd tot aan de Hoge Raad nota bene in gevallen waarin de Belastingdienst zelf een fout heeft gemaakt? Of in situaties waarin de burger anderszins op het verkeerde been is gezet? Juridische argumenten als rechtsgelijkheid zijn misschien overtuigend in een ‘bureaucratische rechtsstaat’, maar niet in een ‘responsieve rechtsstaat’ (paragraaf 2.2.3.2).
Kortom, als we – zoals Scheltema eerder zei – ‘serieus menen dat het bij het recht niet gaat om de schoonheid van de systematiek, maar om het vervullen van een maatschappelijke functie’,10 dan moeten de inzichten uit het burgerperspectief serieus worden genomen. De wijze waarop het juridisch perspectief bij voorlichting het beste hiermee zou kunnen omgaan, is voorwerp van het volgende hoofdstuk.