Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.5.5
3.5.5 Tussenconclusie: aansprakelijkheid uitleggen als onderdeel van de compensatie
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250326:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1969/70, 10689, 3, p. 14 (MvT), Honée 1971, p. 202, Raaijmakers 1976, p. 286, Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 823 en 825, A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie onder nr. 2.19 bij HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, m.nt. Bartman (Akzo/ING), Berk 2007, p. 15, Niels 2010, p. 32, Van der Kraan 2012, p. 27, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/583 en Van Zoest 2019, p. 12. Zie ook Hof Amsterdam (OK) 30 september 2010, JOR 2010/306, m.nt. Bartman (Jones Lang LaSalle/BosGijze), r.o. 3.11.
Zie § 4.5 en § 5.6.
Zie § 6.4.
Zie § 7.6.4.
Zie § 8.9.3.
Zie § 8.14.
De aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring staat niet op zichzelf. Deze aansprakelijkheid vormt samen met de mogelijkheid om de geconsolideerde jaarrekening van de moedermaatschappij in te zien de compensatie die de crediteuren van de 403-maatschappij ontvangen omdat zij de jaarrekening van laatstgenoemde niet kunnen inzien.1 Het feit dat een crediteur een vordering heeft op een debiteur – de 403-maatschappij – van wie hij de jaarrekening niet kan inzien, wordt gecompenseerd met een aanvullende vordering op een andere debiteur – de moedermaatschappij – van wie hij de geconsolideerde jaarrekening wel kan inzien. De crediteur heeft geen garantie dat de moedermaatschappij de vordering volledig voldoet. De 403-aansprakelijkheid zorgt er slechts voor dat de crediteur een vordering heeft op een debiteur – de moedermaatschappij – van wie hij de geconsolideerde jaarrekening kan inzien. Het is aan de crediteur zelf om (mede) aan de hand van deze geconsolideerde jaarrekening te schatten hoe groot het risico is dat zijn vordering niet (volledig) zal worden voldaan en te besluiten of hij dit risico al of niet accepteert.
De hierboven beschreven functie van de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring bij de compensatie van de crediteuren van de 403-maatschappij, is van belang voor de beantwoording van vraagstukken met betrekking tot deze aansprakelijkheid. In de volgende hoofdstukken onderzoek ik hoe verschillende wettelijke bepalingen met betrekking tot de 403-aansprakelijkheid moeten worden uitgelegd of gewijzigd, bezien vanuit de functie die deze aansprakelijkheid vervult bij de compensatie van de crediteuren van de 403-maatschappij. Ik ga onder meer in op de reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid,2 de duiding van een vordering van een crediteur op grond van de 403-verklaring3 en onder welke omstandigheden het beroep van een crediteur op de 403-verklaring onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid indien de moedermaatschappij is vergeten deze verklaring in te trekken.4 Daarnaast onderzoek ik welke omvang een vervangende waarborg voor een crediteur ex art. 2:404 lid 4 en 5 BW (minimaal) moet hebben als de moedermaatschappij de overblijvende aansprakelijkheid na intrekking van de 403-verklaring wil beëindigen5 en of de voorwaarde ex art. 2:404 lid 3 sub a BW dat de groepsband tussen de moeder- en de 403-maatschappij is verbroken al of niet moet worden gehandhaafd als vereiste voor een dergelijke beëindiging.6