Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.5.2.2
5.5.2.2 De schuldvraag
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463140:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk: OK 8 oktober 1992, rekestnr. 23/92 OK, r.o. 4.2 (Mediselect); OK 27 juli 2000,JOR 2000, 195, r.o. 3.6 (Cocon); OK 22 december 2000,JOR 2001, 29, r.o. 3.4 (Navemar, m.nt. Bartman); OK 30 juli 2001, rekestnr. 561/2001 OK, r.o. 4.5 (Cohere Holding); OK 30 december 2002,ARO 2003, 18, r.o. 3.6 (Aesculaap Beheer); OK 30 juni 2003,ARO 2003, 116, r.o. 3.14 en 3.15 (Polyplus Holding); OK 29 november 2005,ARO 2005, 210, r.o. 3.7 (Dyna Music Systems); OK 8 september 2008,ARO 2008, 159, r.o. 3.6 e.v. (e-Traction Europe).
OK 7 januari 1993,NJ 1993, 412 (Mediselect); OK 22 december 2000,JOR 2001, 29, r.o. 4.1 en 4.2 (Navemar, m.nt. Bartman); OK 21 juli 2003,ARO 2003, 141, r.o. 3.6 en 3.7 (Polyplus Holding); OK 4 april 2006,ARO 2006, 85 (Dyna Music Systems); OK 8 september 2008,ARO 2008, 159 (e-Traction Europe).
Onder andere: OK 1 april 1982, rekestnr. 4/82 OK (Complete Woninginrichting Gebr. Moeskops); OK 24 juni 1982,NJ 1983, 638 (Huisdierencrematorium Stompwijk, m.nt. Maeijer); OK 29 mei 1986,NJ 1988, 98 (De Stefano Delft); OK 2 juni 1988, rekestnrs. 7/88, 10/88 en 12/88 OK (Robert R. Jurgens Assurantiën Nijmegen); OK 30 juni 1988, rekestnrs. 30/86 en 31/86 OK (Vervoercentrum Leiden-Transport C. Hogenes).
Vergelijk ook OK 28 oktober 1993,NJ 1994, 566 (Relocation Advisers (RLA)).
Onder andere: OK 30 september 1982, rekestnr. 22/82 OK (International Catering Corporation Jade (ICCJ)); OK 4 juli 1985, rekestnr. 13/85 OK (De Rozelaer).
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671, r.o. 4.1.2 jo. 4.1.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
HR 17 mei 1989,NJ1993, 206, r.o. 3.7 (Van den Berg II): ‘De in art. 2: 344 e.v. neergelegde regeling strekt ertoe te voorzien in de mogelijkheid om door tussenkomst van de rechter te geraken tot beëindiging van geconstateerd wanbeleid, niet echter om door de rechter te doen vaststellen aan wiens schuld dat wanbeleid is te wijten. Zulks in aanmerking genomen heeft de Ondernemingskamer met juistheid geoordeeld dat de door (...) opgeworpen schuldvraag voor de beslissing van het onderhavige geding niet van doorslaggevende betekenis is. Met dit oordeel wordt geen afbreuk gedaan aan het recht op een eerlijke behandeling van hun zaak in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.’
Vergelijk OK 27 april 2005,ARO 2005, 77, r.o. 3.5 (Dolphin Watercompany): ‘Op grond van artikel 2: 355 BW kan de Ondernemingskamer, indien uit het verslag van wanbeleid is gebleken, onder meer op verzoek van de oorspronkelijke verzoekers de voorzieningen treffen welke zij op grond van de uitkomst van het onderzoek geboden acht. Weliswaar kan in de enquêteprocedure (ook) worden vastgesteld bij wie de verantwoordelijkheid berust voor gebleken wanbeleid en kan die vaststelling van betekenis zijn voor het antwoord op de vraag of en zo ja welke voorzieningen kunnen of dienen te worden getroffen, dat neemt niet weg dat bij de beslissing omtrent verzochte voorzieningen het belang van de vennootschap voorop staat.’
164. De Ondernemingskamer besteedt in een aantal gevallen – het betreft vooral de gevallen waarin bestuurders hun eigen belangen hebben laten prevaleren boven die van de vennootschap – aandacht aan de schuldvraag: de desbetreffende bestuurders worden geschorst of ontslagen omdat het wanbeleid in overwegende mate aan hen is te wijten (of overwegingen van soortgelijke strekking).1 In enkele zaken zijn de desbetreffende bestuurders om deze reden eveneens veroordeeld in de onderzoekskosten.2 In de andere gevallen speelt de schuldvraag geen rol en laat de Ondernemingskamer zich ook niet verleiden tot de beantwoording van de vraag aan wie het wanbeleid (in overwegende mate) is te wijten. In enkele beschikkingen overweegt zij in plaats daarvan nadrukkelijk dat het wanbeleid in gelijke mate is toe te rekenen aan beide partijen3 – om deze reden worden in Vervoercentrum Leiden-Transportbedrijf C. Hogenes respectievelijk Robert R. Jurgens Assurantiën Nijmegen de verzoeken tot kostenverhaal afgewezen4 – dan wel dat uit het onderzoeksverslag niet is gebleken dat de impasse in overwegende mate aan een van de partijen te wijten.5 De onderscheiden oordelen zijn alle goed in te passen in de jurisprudentie van de Hoge Raad. Ik wijs wat betreft de eerste groep uitspraken op zijn overweging in de beschikking inzake Text Lite Holding dat uit het bepaalde in de art. 2: 355 jo. 2: 356 en 2: 354 BW voortvloeit dat de Ondernemingskamer bevoegd is voorzieningen te treffen ten laste van individuele bestuurders en commissarissen respectievelijk te beslissen dat de kosten verhaald kunnen worden op (een of meer van) hen en dat de uitoefening van deze bevoegdheden gemotiveerd zal moeten worden, hetgeen meebrengt dat, naar omstandigheden, de Ondernemingskamer zal moeten oordelen omtrent de individuele verantwoordelijkheid van individuele bestuurders en commissarissen.6 Anderzijds geldt, zo ligt besloten in de beschikking inzake Van den Berg II7, dat voor het treffen van voorzieningen niet vereist is dat de Ondernemingskamer eerst de vraag beantwoordt aan wie het wanbeleid is te wijten.8