Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.1
21.2.1 De ratio van de vijfiaarstermijn
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS364100:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
1-11( 31 oktober 2003, NJ 2006, 112.; zie voor een beschrijving van de casus § 21.2.2.3.
R.o. 3.4.
Zie uitgebreider over de ratio van de relatieve termijn § 9.2 en § 11.3.
Zie in gelijke zin Hartlief, AA 2004, p. 270 r.k.
Zie nader over de vraag in hoeverre de rechtsverwerkingsgedachte aanvaard is § 9.2.
1-1R 23 oktober 1998, NJ 2000, 15, r.o. 3.3.1. Zie over dit arrest nader § 21.2.2.2. Overigens is het strikt genomen niet erg precies om te spreken van 'het' Seksueel-misbruikarrest, omdat er over seksueel misbruik veel meer arresten dan alleen deze gewezen zijn. Een betere roepnaam is echter moeilijk te verzinnen en gegeven het feit dat het op verjaringsgebied wel 'het' seksueel-misbruikarrest is, is de mate waarin die naam misverstanden oproept toch voldoende beperkt.
Zie evenwel over de fundamentele tekortkomingen van 'de rechtszekerheid' als ratio van de relatieve termijn nader § 9.3.en8.4. Zie voor de opvatting dat de rechtszekerheid in het algemeen binnen de bevrijdende verjaring geen rol van betekenis heeft: Emmer, Themis 2001, p. 244 r.k.
Volgens art. 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. In het voor de relatieve termijn zeer belangrijke Saelman-arrest1 is aanvaard dat de ratio van die regel niet alleen in de rechtszekerheid moet worden gezocht, maar tevens in "de billijkheid".
De Hoge Raad overweegt:2 "Artikel 3:310 lid 1 BW bevat twee verjaringstermijnen: een korte van vijf jaren die begint te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Aan deze lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en de daarmee strokende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15.801, NJ1998, 380) de rechtszekerheid ten grondslag. Deze termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is (met dien verstande dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat in het geval van artikel 321 lid 1, aanhef en onder f, BW). De korte verjaringstermijn daarentegen, waarom het in dit geding gaat, staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid."
De billijkheid kan in het kader van de relatieve termijn als volgt worden geconcretiseerd. Tijdsverloop verzwakt de positie van de debiteur in tweeërlei opzicht: zijn bewijspositie wordt ondergraven en zijn rechtszekerheid wordt aangetast. Het belang van de debiteur vergt daarom dat de benadeelde zijn vordering instelt zodra dat redelijkerwijze van hem verwacht kan worden. Als de benadeelde dat nalaat heeft hij het verlies van zijn recht aan zijn eigen stilzitten te danken. In die zin behelst de relatieve verjaringstermijn in conceptuele zin een vorm van rechtsverwerking.
Over de ratio is het volgende nader te zeggen. Een debiteur heeft er belang bij dat een vordering tegen hem binnen bekwame tijd geldend wordt gemaakt, omdat tijdsverloop zijn positie in tweeërlei opzicht aantast. In de eerste plaats raakt zijn bewijspositie verzwakt doordat bewijs teloorgaat (denk aan vervagende herinneringen van getuigen en zoekraken of tenietgaan van bewijsstukken) en in de tweede plaats wordt zijn individuele rechtszekerheid aangetast; het is economisch en psychologisch bezwaarlijk tot in lengte van dagen een vordering boven het hoofd te hebben hangen. Het is rechtvaardig die benadeling tegen te gaan door de benadeelde zijn recht te ontnemen, als de benadeelde verweten kan worden dat hij zonder gegronde reden met het geldend maken van zijn vordering heeft gedraald. De belangenafweging is dan niet moeilijk: enerzijds is er het wezenlijke belang van de debiteur bij het tijdig instellen van de vordering en anderzijds is er het nauwelijks serieus te nemen belang van de benadeelde bij een immer voortdurende bevoegdheid tot verwezenlijking van zijn recht; hij kan zijn recht immers nu al verwezenlijken. Natuurlijk moet hier het 'belang' van de benadeelde het afleggen. Hij heeft het verlies van zijn recht aan zijn eigen nalatigheid te danken. Aldus beschouwd behelst de relatieve verjaringstermijn, in conceptuele zin, een vorm van rechtsverwerking.3
In het Saelman-arrest kan men een aanwijzing lezen dat ook de Hoge Raad de relatieve termijn in dat perspectief wil zien.4 Geheel zeker is dat bij gebreke van een expliciete overweging te dien aanzien niet.5
Dat de relatieve termijn een vorm van rechtsverwerking is, moet steeds de leidende gedachte zijn bij beantwoording van interpretatievragen van de relatieve termijn.
Aanvaarding van de gedachte dat de relatieve termijn een vorm van rechtsverwerking is, is van fundamentele betekenis bij beantwoording van, met name, de vraag naar zijn aanvangsmoment. Ten gronde komt het er steeds op aan vanaf welk moment van de benadeelde redelijkerwijze verwacht mocht worden dat hij tot juridische actie kwam.
Welk rol "de rechtszekerheid" nog toekomt in het kader van de relatieve termijn, is onduidelijk. De billijkheid, nader gepreciseerd in de hiervoor uiteengezette rechtsverwerkingsgedachte, lijkt het alleen af te kunnen.
Tot voor het Saelman-arrest kende de Hoge Raad de rechtszekerheid, begrepen als algemeen belang, in het kader van de relatieve termijn een centrale positie toe. Zie bijvoorbeeld de Hoge Raad in het seksueel misbruikarrest:6 "Een rechtsvordering als de onderhavige verjaart door verloop van vijf jaren nadat de benadeelde de voor het instellen van zijn vordering benodigde wetenschap heeft verkregen, en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is ontstaan. Ook wat het beroep op de eerstbedoelde verjaringstermijn betreft, eist de rechtszekerheid — welke het instituut der verjaring mede beoogt te dienen (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15801, NJ 1998, 380) — een vaste termijn; daarom kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in artikel 3:310 lid 1 BW vermelde aanvangstijdstip van die termijn."
Met de alleenheerschappij van de rechtszekerheid is het na het Saelman-arrest gedaan: de Hoge Raad overweegt nadrukkelijk dat de relatieve termijn tevens in het teken van de billijkheid staat. Men kan zich afvragen of de Hoge Raad niet nog een stap verder had kunnen gaan door verwijzing naar de rechtszekerheid geheel weg te laten. Zulks had echter een voor de Hoge Raad wellicht al te geprononceerde breuk met het verleden betekend en bovendien: dat de relatieve termijn de rechtszekerheid niet dient is ook weer moeilijk vol te houden; iedere rechtsregel dient immers in zekere zin de rechtszekerheid.7 Onuitgesproken blijft nu evenwel dat de billijkheid een veel prominenter perspectief biedt dan de rechtszekerheid. Als men aanneemt dat de rechtvaardiging van verjaring krachtens de relatieve termijn erin is gelegen dat iemand zijn recht verliest omdat hij heeft nagelaten het geldend te maken hoewel zulks van hem redelijkerwijze wel verwacht had mogen worden, komt de "rechtszekerheid" als algemeen belang geen rol van betekenis meer toe. Begrepen als individueel belang van de debiteur is de rechtszekerheid uiteraard wel van wezenlijke betekenis, maar wordt hij ondergebracht in het billijkheidsoordeel: het is billijk de crediteur zijn recht te ontnemen, omdat hij met zijn verwijtbare stilzitten de rechtszekerheidspositie en de bewijspositie van de debiteur nodeloos bezwaart.