NJB 2026/70:Onverenigbaarheid van regeling van art. 2 Wtt (oud) met verbod op beperkingen op vrij verrichten van diensten art. 56 VWEU? De regeling van art. 2 lid 1 tot en met 3 Wtt (oud) strekt ertoe dat voor de werkzaamheden en dienstverlening door een trustkantoor in of naar Nederland telkens – dat wil zeggen: ongeacht waar de zetel van het trustkantoor zich bevindt – een vergunning van de toezichthouder is vereist. Met de regeling van art. 2 lid 5 en 2a Wtt (oud) kunnen uitzonderingen worden gemaakt op het verbod om zonder vergunning werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten, voor situaties waarin integriteitsrisico’s zich niet of nauwelijks voordoen of waarin al op andere wijze in vergelijkbaar integriteitstoezicht is voorzien. In casu kon het hof oordelen dat het verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op het verlenen van trustdiensten door een trustkantoor met zetel in een niet-aangewezen staat dat niet beschikt over een vergunning als bedoeld in art. 2 lid 3 Wtt (oud), een beperking van de vrijheid van dienstverrichting betreft, maar dat deze beperking gerechtvaardigd is gelet op het algemeen belang van de bescherming van de integriteit van de financiële markten in Nederland. Geen ambtshalve cassatie vanwege partiële verjaring opzettelijke overtreding van art. 2.3 Wtt (oud): in casu heeft de verdachte onvoldoende belang bij een ambtshalve beoordeling van de verjaring van het tenlastegelegde feit. Daartoe telt dat slechts een deel van het tenlastegelegde feit in aanmerking komt voor verjaring (namelijk ong. 5,5 maanden van de tenlastegelegde periode van ong. 7 maanden), het hof niet specifiek de duur van het bewezenverklaarde handelen en ook niet specifieke in de tenlastegelegde periode verrichte werkzaamheden, maar veeleer in algemene zin het feitelijk leidinggeven aan het door de rechtspersoon verrichten van trustdiensten zonder vergunning bij de strafoplegging heeft betrokken, en dat de opgelegde straf een taakstraf betreft terwijl op de overtreden strafbepalingen respectievelijk twee jaren en acht jaren gevangenisstraf staat, zodat een partiële verjaring geen wezenlijke invloed op de strafoplegging zou hebben.