Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/4.2.2.2
4.2.2.2 Maatstaf
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474390:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/117; en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/230.
Vgl. HR 4 maart 2005, JOR 2005/160 (Thomassen Metaalbouw/Vos II). Vgl. ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/206.
HR 21 december 2001, NJ 2005/96, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (SOBI/Hurks) en HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank). Zie ook HR 21 mei 1999, NJ 1999/733,m.nt. J. Hijma (B/K).
HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank).
HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabobank).
Vgl. HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.).
Vgl. HR 21 december 2001, NJ 2005/96, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (SOBI/Hurks).
Reeds onder het oude recht werd al van de geldigheid van dergelijke omschrijvingen uitgegaan. Zie HR 13 maart 1959, NJ 1959/579, m.nt. L.E.H. Rutten (Van Vliet q.q./Amsterdamsche Bank).
HR 14 oktober 1994, NJ 1995/447, m.nt. W.M. Kleijn (Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q.); HR 16 juni 1995, NJ 1996/508, m.nt. W.M. Kleijn (Ontvanger/Rabobank IJmuiden); HR 19 september 1997, JOR 1997/133, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Verhagen q.q./INB II); HR 19 december 1997, JOR 1998/40, m.nt. J.J. van Hees, NJ 1998/690, m.nt. W.M. Kleijn (Zuidgeest/Furness); HR 20 juni 1997, NJ 1998/362, m.nt.W.M. Kleijn (Wagemakers q.q./Rabobank); HR 1 december 2000, NJ 2001/46 (Thomassen Metaalbouw/Vos I); HR 21 december 2001, NJ 2005/96, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (SOBI/Hurks); HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.); HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank); HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabobank); HR 4 maart 2005, JOR 2005/160 (Thomassen Metaalbouw/Vos II); HR 27 november 2009, JOR 2010/43,m.nt. K. Frielink, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online); enHR 3 februari 2012, JOR 2012/200,m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/261, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Dix q.q./ING).
HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.); en HR 28 maart 2014, NJ 2015/365, m.nt. P.B. Hugenholtz (Norma/NLKabel c.s.).
Schuijling 2011, p. 1009. Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/117.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/117 (algemeen), 259a en 259b (vorderingen op naam), alsook 314b (roerende zaken); Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/230; en Rongen 2012/785, 811 en 822 (vorderingen op naam). Zie ook Verdaas 2008, nr. 178 en Struycken 1998, p. 427.
Rongen 2012/785 en 811.
HR 20 juni 1997, NJ 1998/362, m.nt. W.M. Kleijn (Wagemakers q.q./Rabobank).
Daarvan lijkt ook Rongen zich bewust. Vgl. Rongen 2012/818-821, waar hij zijn eigen argumenten weerlegt.
Vgl. HR 20 september 2002, JOR 2002/211, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2004/182, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./Rabobank).
HR 16 mei 2003, NJ 2004/183, m.nt. W.M. Kleijn (De Liser de Morsain/Rabobank).
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner (Haviltex).
Zie HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.). De verwachtingen die bij derden bestaan met betrekking tot de inhoud van het beding kunnen mijn inziens wel tot een meer objectieve benadering binnen die maatstaf dwingen. Vgl. HR 21 maart 2014, JOR 2014/151, m.nt. B.A. Schuijling (Coface Finanz/Intergamma).
Vgl. HR 20 september 2002, JOR 2002/210, m.nt. N.E.D. Faber, NJ 2002/610, m.nt. C.E. du Perron (ING/Muller q.q.) en HR 20 februari 2004, JOR 2004/157, m.nt. S.C. J.J. Kortmann, NJ 2005/493, m.nt. C.E. du Perron (DSM/Fox).
140. Voor voldoende bepaaldheid is niet noodzakelijk dat het goed met al zijn bijzonderheden wordt gespecificeerd. Het komt er daarbij op aan of het goed identificeerbaar is aan de hand van de leveringshandeling.1 Het volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat sprake is van voldoende bepaaldheid van het goed door de levering indien – eventueel achteraf – is vast te stellen op welk goed de levering ziet.2 De vraag hoe specifiek de levering het goed dient aan te wijzen, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.3 Of de levering in een concreet geval het goed in voldoende mate aanwijst, is aldus een vraag van overwegend feitelijke aard.4 Dat voor de individualisering van het goed – naast de levering zelf – te rade moet worden gegaan bij andere bronnen, zoals de boekhouding van de vervreemder, doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van het goed.5 Aldus is voldoende dat het goed bepaalbaar is aan de hand van de levering.6
Indien meerdere goederen tegelijkertijd worden geleverd, brengt de eis van voldoende bepaaldheid met zich dat aan de hand van de leveringshandeling al deze goederen geïndividualiseerd moeten kunnen worden.7 De eis van voldoende bepaaldheid belet niet dat bij de levering deze goederen generiek kunnen worden aangeduid.8 Aanduidingen als “alle roerende zaken” of “alle vorderingen” zijn in dit verband geschikte omschrijvingen van de goederen.9
Voor zover de goederen door middel van een akte worden geleverd, is in het algemeen voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. In talrijke arresten heeft de Hoge Raad deze lijn bevestigd voor de verpanding van vorderingen.10 Daarnaast is deze maatstaf ook toegepast op intellectuele eigendomsrechten, zoals de verpanding van auteursrechten en de levering van naburige rechten.11 Er is geen goede reden om dezelfde maatstaf niet tevens toe te passen ten aanzien van andere goederen die eveneens bij akte worden geleverd of bezwaard met een beperkt recht, zoals aandelen in een besloten of naamloze vennootschap.12
141. Ten aanzien van de maatstaf van voldoende bepaaldheid wordt aangenomen dat is vereist dat het betrokken goed aan de hand van objectievemaatstaven of objectieve bronnen vastgesteld moet kunnen worden.13 Zo verdedigt Rongen dat niet voldoende is dat partijen van elkaar weten welke vordering wordt gecedeerd of verpand en dat zij ten opzichte van derden deze partijbedoeling buiten de akte om verklaren. De partijbedoeling zou uit objectieve gegevens, waaronder begrepen de (eventuele) akte, moeten kunnen worden afgeleid. Rongen baseert deze strikte invulling mede op de bescherming van de belangen van derden, de rechtszekerheid die met de leveringshandeling wordt nagestreefd en de derdenwerking die van het goederenrecht uitgaat.14 Ook de Hoge Raad spreekt in het arrest Wagemakers q.q./Rabobank over het gebruik van objectieve gegevens. Het betrof in deze zaak een onjuiste aanduiding in de pandakte van de schuldenaar en de hoogte van de vordering. De onjuistheid van de omschrijving stond echter niet aan een individualisering van de vordering in de weg, aangezien de vordering achteraf aan de hand van de facturen en boekhouding van de pandgever kon worden aangewezen. De Hoge Raad oordeelde dat:
“een onjuiste aanduiding van een vordering op een van de pandgever afkomstige computerlijst als hier aan de orde er niet aan in de weg staat dat achteraf mag worden vastgesteld om welke vordering het gaat, mits achteraf aan de hand van objectieve gegevens vastgesteld kan worden welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad.”15 (cursivering BAS)
De objectieve gegevens waarover de Hoge Raad hier spreekt, zien naar mijn mening op het corrigeren van fouten in een akte, en houden verband met het feit dat men op zoek moet naar hetgeen partijen, ondanks de fout in de akte, op het oog moeten hebben gehad. Naar mijn mening mag uit het arrest Wagemaker q.q./Rabobank niet worden afgeleid dat de vaststelling uitsluitend kan geschieden aan de hand van objectieve gegevens. Dat zou een te strenge invulling van de eis van voldoende bepaaldheid opleveren, die onvoldoende steun vindt in de wet en de overige rechtspraak van de Hoge Raad op het punt van voldoende bepaaldheid. In het licht van deze uitspraken kunnen de door Rongen aangedragen argumenten (bescherming van derden, rechtszekerheid en derdenwerking) niet overtuigen.16 Het bepaaldheidsvereiste heeft immers slechts een identificatiefunctie en strekt op zichzelf beschouwd niet tot publiciteit en werking van de levering ten opzichte van derden. Het volstaat dat door uitleg in voldoende mate kan worden vastgesteld wat partijen hebben beoogd te leveren.17 Dat bij de vaststelling van de partijbedoeling ten aanzien van het geleverde goed juist rekening mag worden gehouden met gegevens die buiten de leveringshandeling zelf liggen, volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot de uitleg van cessieakten. Het komt daarbij namelijk aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.18 Voor deze uitleg geldt dus de Haviltex-maatstaf, welke maatstaf uitdrukkelijk niet is beperkt tot een objectieve of taalkundige uitleg van de akte.19 Dat deze uitleg gevolgen kan hebben voor derden rechtvaardigt, volgens de Hoge Raad, niet het hanteren van een andere maatstaf.20 Ook derden zijn aan deze vaststelling gebonden, met dien verstande dat zij onder omstandigheden kunnen worden beschermd door art. 3:36 BW.21 De eis dat het geleverde goed slechts met objectieve gegevens mag worden bepaald, valt met de huidige stand van het recht niet goed te rijmen.