Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/21.2.4.3
21.2.4.3 Verjaring in de verhouding tussen hoofdelijk schuldenaren
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371356:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Tekst en Commentaar BW, aantekening 2 bij art. 6:11 BW.
Zie in vergelijkbare zin en meer uitgebreid over art. 6:11 lid 3 BW Van Boom, diss., p. 210 en 211.
Anders Van Boom, diss. 1999 (dus nog voor de hier genoemde arresten), p. 98.
Zie over deze ratio van de relatieve termijn § 11.3.
JOR 23 maart 2004, afl. 3, nr. 86.
Zie nader voor de stelling dat het er ten gronde om gaat vanaf welk moment van de benadeelde redelijkerwijze actie verwacht mag worden § 11.3.
Zie § 12.3.
Zie § 21.2.2.
IR 24 januari 2003 (BASF), NJ 2003, 300, zie nader § 21.2.2.5.
Zie § 21.2.2.5.
Zie over stuiting nader hoofdstuk 23.
Een (waarschijnlijk weinig voorkomende) verjaringsrechtelijke vraag die zich in de verhouding tussen hoofdelijke schuldenaren kan voordoen wordt beantwoord in art. 6:11 lid 3 BW. Dat bepaalt dat een beroep op verjaring van de rechtsvordering door de schuldeiser de tot bijdragen aangesprokene slechts toekomt, indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen zowel hijzelf als degene die de bijdrage verlangt, jegens de schuldeiser de voltooiing van de verjaring had kunnen inroepen.
Uit deze bepaling blijkt dat de tot bijdragen aangesprokene het verjaringsberoep dat hij in de externe verhouding aan de crediteur had kunnen tegenwerpen maar zeer zelden met succes kan tegenwerpen aan degene die de bijdrage verlangt. Hij kan dat volgens art. 6:11 lid 3 BW immers alleen dan indien op het tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen niet alleen hijzelf, maar ook degene die de bijdrage verlangt dat had kunnen doen. Dat tijdstip van het ontstaan van de verplichting tot bijdragen is gelegen op het moment waarop de schuld werd voldaan (art. 6:11 lid 2 BW) of op het moment waarop de kosten werden gemaakt (art. 6:11 lid 3 BW).1 Als ook degene die bijdrage verlangt zich op dat moment jegens de crediteur op verjaring had kunnen beroepen, dan zal hij dat in de regel toch ook wel gedaan hebben. Het externe verjaringsberoep komt de tot bijdragen aangesprokene in de interne verhouding in feite dus alleen toe als degene die de bijdrage verlangt een verjaarde vordering heeft voldaan.2
Een andere, voor de praktijk veel belangrijkere vraag wordt in art. 3:11 lid 3 BW niet beantwoord, te weten de vraag of de tot bijdragen aangesproken partij zich op enig moment jegens de betalende medeschuldenaar op verjaring kan beroepen buiten het geval waarin, kort gezegd, de rechtsvordering van de schuldeiser op beide hoofdelijke schuldenaren verjaard is. Het antwoord op die vraag luidt bevestigend: men mag aannemen dat de vordering van de betalende schuldenaar op zijn medeschuldenaar verjaringsrechtelijk wordt beheerst door de vijf] aarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW.
Het regresrecht van art. 6:10 BW is zelfstandig ten opzichte van de hoofdvordering van de debiteur. Dat brengt onder andere mee dat de regresvordering een eigen verjaring kent. De vraag is vervolgens hoe de regresvordering verjaringsrechtelijk moet worden gekwalificeerd. Ten aanzien van twee andere typen regresvorderingen is inmiddels duidelijk dat zij onder de werking van art. 3:310 BW vallen. Uit HR 31 mei 2002 (Bijlsma/ABP) en HR 1 april 2005 (Sint Lucas Andreas/ZAO) volgt zulks ten aanzien van dat zelfstandige verhaalsrechten en in zijn arrest van 4 juni 20043 besliste de Hoge Raad in gelijke zin ten aanzien van de regresvordering van de borg.
De Hoge Raad overweegt in dat laatste arrest: "Zoals is uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11, moet uit de parlementaire geschiedenis worden afgeleid dat het in artikel 3:310 BW gebruikte begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" een ruime strekking heeft. De hier aan de orde zijnde regresvordering van de borg die betaald heeft, geeft deze laatste een eigen, zelfstandig recht jegens de hoofdschuldenaar en heeft de strekking te voorkomen dat de schuldenaar ten koste van de borg ongerechtvaardigd wordt verrijkt doordat de borg het door de schuldenaar verschuldigde aan de schuldeiser heeft voldaan. De borg heeft immers de schuld niet overgenomen, maar zich daarvoor slechts garant verklaard. Gelet op dit een en ander moet worden geoordeeld dat de uit artikel 1876 (oud) BW voortvloeiende regresvordering van de borg die betaald heeft, is te beschouwen als een rechtsvordering tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 3:310 BW."
Er is geen reden ten aanzien van het regresrecht krachtens art. 6:10 BW anders te oordelen. In de eerste plaats doet de geciteerde redenering van de Hoge Raad, waarin te berde wordt gebracht dat (a) het begrip "rechtsvordering tot vergoeding van schade" in art. 3:310 BW een ruime strekking heeft en (b) de regresvordering trekken vertoont van een actie om ongerechtvaardigde verrijking te voorkomen, ook opgeld ten aanzien van de regresvordering ex. art. 6:10 BW. Ten tweede is het verjaringsrechtelijk wenselijk de regresvordering aan de relatieve termijn van art. 3:310 BW te onderwerpen (en dus niet aan de algemene twintigjaarstermijn van art. 3:306 BW) omdat niet valt in te zien waarom een regresgerechtigde, anders dan een "gewone" schuldeiser, zonder reden schier eindeloos met het nemen van juridische actie zou mogen wachten.4
Met de constatering dat de regresvordering ex art. 6:10 BW onderworpen is aan art. 3:310 BW, rijst de vraag wanneer de relatieve termijn van art. 3:310 BW aanvangt. Het ligt in het kader van de rechtszekerheid voor de hand te zoeken naar een vast, algemeen geldig moment. Mogelijke kandidaten zijn het moment van betaling door de regreszoekende schuldenaar aan de schuldeiser en het moment waarop de betalende schuldenaar door de schuldeiser wordt aangesproken. Juist vanwege hun objectieve karakter falen die criteria evenwel: zij hebben geen oog voor waar het bij de relatieve termijn nu juist precies om gaat, namelijk het vermogen van de individuele regresnemer om tot juridische actie te komen.5
Het zou voor de eenvoudige toepassing van het recht bevorderlijk zijn als men het aanvangsmoment van de regresvordering ex art. 6:10 BW in abstracto, dus zonder acht te slaan op de omstandigheden van het geval, zou kunnen formuleren. In de literatuur treft men ook inderdaad wel de veronderstelling dat dat zou kunnen. Zo schrijft De Winter in haar noot onder Rechtbank Den Haag 17 december 2003:6 "Over het aanvangsmoment van de verjaringstermijn van regresvorderingen kan worden getwist. (...) Verschillende momenten zijn denkbaar, zoals het moment dat de regreszoekende wordt aangesproken of het moment dat hij voldoet. Voor beide momenten valt iets te zeggen." Thans zal blijken waarom geen van die momenten in alle gevallen dienst kan doen.
Het meest voor de hand liggende "vaste" aanvangsmoment lijkt het moment waarop de regreszoekende schuldenaar tot betaling aan de schuldeiser is overgegaan. Dat moment is echter toch in lang niet alle gevallen geschikt. Het kan zowel (i) te laat, als (ii) te vroeg gelegen zijn. Dat laat zich illustreren aan de hand van de volgende twee casus.
Te laat: twee schadeverzekeraars (A en B) zijn hoofdelijk aansprakelijk. De benadeelde spreekt A aan. A weet van meet af aan dat ook B hoofdelijk aansprakelijk is, maar laat B van de aanspraak van de benadeelde niets weten. A erkent de aansprakelijkheid maar betwist de hoogte van de schade. Er volgt een procedure die zes jaar duurt. A wordt tot betaling van een bedrag X veroordeeld. A wil na betaling van dat bedrag regres nemen op B.
Zouden wij het moment van betaling inderdaad doorslaggevend achten, dan zou de termijn zes jaar na de aansprakelijkheidserkenning aanvangen (veronderstellende dat A direct na het veroordelende vonnis betaalt), terwijl A zijn medeschuldenaar B al direct had kunnen waarschuwen. Dat is niet wenselijk. In termen van het Saelman-arrest: A was direct daadwerkelijk in staat jegens B tot juridische actie te komen. Een tweeregelig stuitingsbriefje had volstaan.
Te vroeg: X lijdt schade doordat (i) zijn arts A een medisch hulpmiddel foutief bij hem implanteert en (ii) het medisch hulpmiddel (fabrikant: B) op zichzelf niet aan de standaard voldoet. Beide oorzaken waren ieder conditio sine qua non voor zijn schade, zodat A en B jegens X hoofdelijk tot de vergoeding daarvan verbonden zijn (art. 6:102 lid 1 BW). X spreekt A aan. A betaalt. Pas 6 jaar later wordt het A via berichten in de vakliteratuur duidelijk dat het implantaat niet deugde. A wil alsnog regres nemen op B.
Zouden wij het moment van betaling doorslaggevend achten, dan zou de regresvordering verjaard zijn, nog voordat A jegens B daadwerkelijk tot enigerlei vorm van juridische actie in staat was. Hij kan immers niet ageren zolang hij niet weet dat B een fout heeft gemaakt. Ook dat is in strijd met het Saelman-arrest. Het moment van betaling zou nu de termijn te vroeg doen starten.
Als alternatief voor het moment van betaling dient zich aan het moment waarop de betalende schuldenaar door de schuldeiser werd aangesproken. Bij gebruik van dat criterium zal zich een situatie als in de eerste casus, namelijk dat de verjaringstermijn te laat begint te lopen, niet snel voordoen; voor het moment van de aanspraak zal in de regel de regres-nemer niet daadwerkelijk in staat zijn te ageren. Dat het de termijn te vroeg doet aanvangen zal echter des te eerder voorkomen. Nog eerder dan op het moment van betalen aan de schuldeiser immers, kan het zich op het moment van de aanspraak door de schuldeiser dat ligt uiteraard over het algemeen voor het moment van betaling — voordoen dat de betalende medeschuldenaar nog geen weet heeft van zijn regresmogelijkheden.
Dat beide besproken criteria falen, komt doordat zij geen oog hebben voor waar het bij de relatieve termijn nu juist om gaat, namelijk het vermogen van de individuele regres-nemer om tot juridische actie te komen. De conclusie luidt derhalve dat het aanvangsmoment van geval tot geval zal moeten worden vastgesteld.
Bij afwezigheid van een vast, algemeen geldig aanvangsmoment, zal het aanvangsmoment steeds van geval tot geval aan de hand van het Saelman-criterium moeten worden vastgesteld: de termijn vangt aan zodra de regreszoekende schuldenaar daadwerkelijk in staat is zijn regresvordering in te stellen. Omdat de woorden "daadwerkelijk in staat" niet steeds voldoende richtinggevend zullen zijn, moet men voor ogen houden dat het er ten gronde om gaat vanaf welk moment van de regresnemer redelijkerwijze juridische actie verwacht had mogen worden.7
Nu het niet mogelijk is een vast, algemeen geldig aanvangsmoment te definiëren, moet het aanvangsmoment van geval tot geval worden vastgesteld. Alleen op die manier kan aan het subjectieve karakter van de relatieve verjaringstermijn recht worden gedaan.
Die vaststelling moet geschieden aan de hand van het Saelman-criterium: de verjaring van de regresvordering begint te lopen zodra de regresnemer daadwerkelijk in staat is zijn vordering in te stellen.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin de bewoordingen "daadwerkelijk in staat" onvoldoende richtinggevend zijn om de vraag naar het aanvangsmoment te kunnen beantwoorden; zij moeten dan nader worden geïnterpreteerd. Die interpretatie moet geschieden vanuit de hiervoor uiteengezette ratio van de relatieve verjaringstermijn.8 Vertaald naar de onderhavige regressituatie is die ratio als volgt.
De tot betaling aan te spreken medeschuldenaar heeft er belang bij dat de regresvordering tegen hem binnen bekwame tijd geldend wordt gemaakt, omdat tijdsverloop zijn positie in tweeërlei opzicht aantast. In de eerste plaats raakt zijn bewijspositie verzwakt doordat bewijs teloorgaat en in de tweede plaats is zijn vermogenspositie niet meer op nakoming van de verbintenis ingesteld. Het is rechtvaardig die benadeling tegen te gaan door de regresgerechtigde schuldenaar zijn recht te ontnemen, als hem verweten kan worden dat hij zonder gegronde reden met het geldend maken van zijn vordering heeft gedraald.
Enerzijds is er dan het wezenlijke belang van de tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar bij het tijdig instellen van de regresvordering en anderzijds is er het nauwelijks serieus te nemen belang van de regresgerechtigde schuldenaar bij een immer voortdurende bevoegdheid tot verwezenlijking van zijn regresrecht; hij kan zijn recht immers nu al verwezenlijken. Natuurlijk moet hier het 'belang' van de regresgerechtigde het afleggen. Hij heeft het verlies van zijn recht aan zijn eigen nalatigheid te danken.
Die verplichting tot het tijdig geldend maken van het regresrecht wordt in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid ten opzichte van de "gewone" aansprakelijkheid nog verscherpt doordat art. 6:8 BW de rechtsbetrekking tussen de hoofdelijke schuldenaren onderwerpt aan de redelijkheid en billijkheid. Er is dus een nog meer geprononceerde grondslag voor de verplichting tot tijdige actie door de regresnemer jegens zijn medeschuldenaar.
Hierna wordt getracht het voorgaande enigszins te operationaliseren door enige vragen die in de praktijk zouden kunnen rijzen te bespreken.
Het vroegst gelegen moment waarop de relatieve verjaringstermijn van de regresvordering kan gaan lopen, is het moment waarop de regresnemer door de schuldenaar wordt aangesproken: eerder dan dat moment zal hij in de regel niet daadwerkelijk in staat zijn jegens zijn medeschuldenaar tot juridische actie te komen. Dat hij daartoe vanaf dat moment daadwerkelijk in staat is, is evenwel goed denkbaar. Dat hij daartoe vanaf dat moment niet daadwerkelijk in staat is, is echter ook mogelijk. Als omstandigheid die, nadat de aangesproken medeschuldenaar is aangesproken, aan de aanvang van de termijn in de weg staat, is met name te noemen het feit dat de regresnemer niet weet dat er sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid en hij dus zijn regresrecht niet kent. Een andere omstandigheid, namelijk dat de aangesprokene de vordering van de schuldeiser betwist, lijkt over het algemeen niet aan de aanvang van de relatieve termijn in de weg te staan.
Voordat een hoofdelijk schuldenaar door de schuldeiser wordt aangesproken, is hij in de regel niet daadwerkelijk in staat zijn regresrecht uit te oefenen, zodat voor dat moment de relatieve niet aanvangt.
Vanaf het moment waarop de regresnemer door de schuldeiser is aangesproken, kan het heel goed zijn dat niets aan het daadwerkelijk geldend maken van zijn regresvordering in de weg staat. Het zal met name gaan om de vraag of hij de benodigde kennis heeft; als dat zo is, zal de relatieve termijn bijna steeds aanvangen. Mogelijke andere verhinderingen zullen zich in regressituaties zelden voordoen.
Zo beschouwd is dus de vaststelling van het aanvangsmoment niet zo ingewikkeld. In de praktijk kan evenwel problematisch blijken te zijn de vraag wanneer de regresgerechtigde dan de vereiste kennis heeft, net zoals die vraag ten aanzien van "gewone" schadevergoedingsvorderingen aanleiding heeft gegeven tot een veelheid aan jurisprudentie. Met name ten aanzien van de volgende twee feiten is discussie voorstelbaar: (i) de wetenschap van de regresnemer ten aanzien van het bestaan van de medeschuldenaar en (ii) de vermeende ongegrondheid van de hoofdvordering.
Wat (i) betreft: wij zagen in de voorbeelden uit de vorige alinea al, dat de regresvordering niet kan worden ingesteld zolang de regresnemer niet weet dat hij een medeschuldenaar heeft en hij dus ook niet weet dat hij een regresrecht heeft. Zo kon de aansprakelijke arts geen regres nemen op de producent van het gebrekkige medische hulpmiddel zolang hij de gebrekkigheid van dat product niet kende. In een dergelijke situatie, waarin het bestaan van een medeschuldenaar in het geheel niet bekend was, lijkt het in het licht van het Saelman-criterium duidelijk dat de termijn niet behoort aan te vangen.
De beslissing wordt veel lastiger als de regresnemer wel zekere aanwijzingen heeft dat er een medeschuldenaar zou kunnen zijn, maar hij daarover (in het geheel) geen zekerheid heeft. Die situatie kan zich in de praktijk in allerlei varianten voordoen. Om een paar voorbeelden te noemen: (a) de aangesproken arts uit de evenbedoelde casus heeft direct de indruk dat er iets mis zou kunnen zijn met het door hem geïmplanteerde medische hulpmiddel, maar hij heeft niet de technische deskundigheid om dat rationeel te adstrueren (b) de veroorzaker van een verkeersongeval wordt aangesproken tot schadevergoeding. In de processtukken van de gelaedeerde wordt gerept van een derde ten aanzien van wiens gedraging de indruk wordt gewekt dat zij evenzeer conditio sine qua non voor het ongeval is geweest als de gedraging van de aangesproken partij. De precieze rol van die derde blijft echter vanwege de processuele agenda van de gelaedeerde onderbelicht. (c) een aansprakelijkheidsverzekeraar wordt aangesproken en vermoedt vanwege de aard van de aansprakelijkheid dat ook nog wel een andere verzekeraar aansprakelijk zal zijn, maar concrete informatie daarover heeft hij niet.
Het ligt voor de hand de beantwoording van deze vragen te zoeken in de eisen die aan het begrip bekendheid worden gesteld in het kader van de "gewone" schadevergoedingsvordering. Wij zagen hiervoor dat over dit punt uitgebreide rechtspraak bestaat.9 Daaruit is te leren dat, ten eerste, het niet gaat om objectieve, maar om subjectieve bekendheid, en ten tweede dat ten aanzien van de betreffende feiten geen absolute zekerheid behoeft te bestaan, maar slechts "voldoende mate van zekerheid10. Het ziet er evenwel niet naar uit dat die rechtspraak hier veel verder helpt.
Want dat het gaat om subjectieve bekendheid en niet om objectieve bekendheid is een behulpzame regel in die situaties waarin de crediteur iets niet wist wat hij als hij, erg kort gezegd, een weldenkend mens was geweest, wel had geweten. Hier gaat het echter niet om de situatie waarin de crediteur van niets weet, maar waarin hij ondanks enige wetenschap niet het naadje van de kous heeft gezocht.
Daarmee zijn wij teruggeworpen op de regel die zegt dat het niet gaat om absolute zekerheid, maar om een "voldoende mate van zekerheid"." De algemene regel "voldoende mate van zekerheid" is door de Hoge Raad ten aanzien van gezondheidsschade aldus geconcretiseerd dat het betreffende feit "door te dier zake deskundige artsen [moet zijn] gediagnosticeerd".
In de drie hiervoor geschetste casusposities lijkt een vergelijkbare mate van zekerheid nog niet te zijn bereikt. Het gaat daar werkelijk nog om vermoedens; "zekerheid" is niet aan de orde, ook niet als men aan het begrip zekerheid geen absolute eis stelt.
Toch lijkt daarmee nog niet de conclusie gerechtvaardigd dat van regresnemers in vergelijkbare situaties nooit juridische actie verlangd zou mogen worden. Hiervoor11 werd in het kader van de gewone schadevergoedingsvorderingen bepleit dat het zich laat denken dat de crediteur een "onderzoeksplicht" heeft. Hetzelfde is te verdedigen ten aanzien van de regresnemer — zeker nu de wet hem zo expliciet de verplichting oplegt zich jegens zijn medeschuldenaar redelijk en billijk te gedragen. Er zijn omstandigheden denkbaar waaronder de regresnemer er jegens zijn medeschuldenaar toe gehouden is, gelet op diens belangen bij het tijdige instellen van de regresvordering (bewijspositie en rechtszekerheid), de gegrondheid van de vordering te onderzoeken. Als factoren die men bij beantwoording van de vraag of een dergelijke onderzoeksplicht bestaat, in ogenschouw kan nemen zijn te noemen (i) de mate van waarschijnlijkheid van het bestaan van een regresvordering op basis van de aan de regresnemer ter beschikking staande feiten (ii) de bezwaarlijkheid van het doen van onderzoek gelet op kosten, moeite en te verwachten resultaat (sommige feiten laten zich moeilijk onderzoeken).
Omdat aldus bij bepaling van het aanvangsmoment van de relatieve termijn de omstandigheden van het geval bepalend zijn, is het bij gebreke van nadere gegevens niet goed mogelijk uitspaken te doen over het resultaat waartoe deze criteria in de drie hiervoor geschetste casusposities zouden voeren. Hoogstens kan men heel voorzichtig opmerken dat: wat betreft (a) het aannemen van een onderzoeksplicht van de arts niet snel voor de hand ligt omdat de vertaling van een intuïtie naar een rationeel geschraagde "voldoende mate van zekerheid" over de ondeugdelijkheid van een industrieel vervaardigd, en dus per definitie al in zekere mate getest product, voor de individuele arts uitermate lastig zal zijn; en wat betreft (c) het feit dat het ten aanzien van sommige schadeposten niet ongebruikelijk is dat er ook onder een andere verzekering dekking bestaat en het bovendien voor de aangesproken verzekeraar nauwelijks moeite vergt hieromtrent duidelijkheid te verkrijgen, een onderzoeksplicht zich wel laat denken. Geval (b) is te onbepaald om iets over te zeggen.
Tot zover de vraag of de onbekendheid met het bestaan van een regresvordering aan de aanvang van de relatieve termijn in de weg kan staan. Naast de onbekendheid met dat feit is er nog een andere omstandigheid die de regresnemer tot de stelling zou kunnen brengen dat zij de aanvang van de relatieve termijn opschort. Dat is onzekerheid omtrent de gegrondheid van de "hoofdvordering": een hoofdelijk schuldenaar wordt aangesproken, hij weet dat als die aanspraak gegrond zou zijn hij regres zou kunnen nemen op een medeschuldenaar, maar hij betwist het bestaan van de vordering van de schuldeiser. Stel bijvoorbeeld dat hij met die schuldeiser vijf jaar over de vordering procedeert. Vangt de termijn jegens de medeschuldenaar aan op het moment van de aanspraak door de schuldeiser of op het moment van het onherroepelijke, veroordelende vonnis?
Vooropgesteld dient te worden dat deze vraag pas relevant is als de vordering uiteindelijk gegrond blijkt te zijn: als de vordering ongegrond is, hoeft er niets betaald te worden en is er dus ook geen regresvordering. Aldus wetende dat het om een serieuze aanspraak gaat, lijkt moeilijk verdedigbaar dat de regreszoeker na te zijn aangesproken straffeloos de afloop van een mogelijke procedure zou kunnen afwachten. Reeds direct op het moment van de aanspraak is er het voor hem kenbare belang van zijn medeschuldenaar bij zijn tijdige juridische actie en dus moet hij die actie ook nemen. Het verdient in dit verband opmerking dat hij met een enkel stuitingsbriefje kan volstaan.12