Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/6.3.6.b
6.3.6.b Duiding van de 403-vordering als een dynamische vordering
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250442:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook § 6.2.2.b.
Ten Voorde 2006, p. 120 en Biemans 2011, p. 307-308. Zie ook Van der Kraan 2012, p. 73 en Van der Kraan 2013, p. 159, die het recht van een crediteur om de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring aansprakelijk te stellen duidt als een wilsrecht (zie § 6.2.5). Ik merk op dat deze auteurs niet verwijzen naar de ‘dynamische’ 403-vordering maar naar de opmerking van Bartman in zijn annotatie onder HR 28 juni 2002, JOR 2002/136 (Akzo/ING), dat een 403-vordering ‘ontspringt’ uit de 403-verklaring. Ik heb eerder opgemerkt dat de duiding van de 403-vordering als een dynamische vordering een uitwerking is van deze opmerking van Bartman (zie § 6.2.2.a).
Zie § 8.2.
Zie art. 2:404 lid 3 tot en met 6 BW en § 8.6 tot en met § 8.10.
Als de 403-vordering wordt geduid als een dynamische vordering, komt deze toe aan degene met de corresponderende vordering op de 403-maatschappij. Enkel de crediteuren van de 403-maatschappij kunnen een beroep doen op de 403-verklaring en hebben uit dien hoofde een vordering op de moedermaatschappij. Indien een crediteur zijn vordering op de 403-maatschappij cedeert aan een derde, kan hij geen beroep meer doen op de 403-verklaring en heeft hij daarom ook geen 403-vordering meer op de moedermaatschappij.1 Het is de cessionaris die vanaf dat moment een beroep kan doen op deze verklaring en uit dien hoofde een vordering heeft op de moedermaatschappij. Omgekeerd is het niet mogelijk om de 403-vordering – onafhankelijk van de vordering op de 403-maatschappij – te cederen.
Ten Voorde en Biemans betogen dat als een crediteur zijn vordering op de 403-maatschappij cedeert nadat de moedermaatschappij de 403-verklaring heeft ingetrokken,2 de cessionaris geen beroep kan doen op deze verklaring en daarom geen 403-vordering op de moedermaatschappij krijgt.3 Hierdoor wordt de cessionaris volgens hen ten onrechte benadeeld. Daarnaast leidt de cessie ertoe dat ook de cedent geen beroep meer kan doen op de 403-verklaring waardoor de moedermaatschappij naar de mening van deze auteurs is bevrijd van haar aansprakelijkheid voor de desbetreffende schuld van de 403-maatschappij.
Bovenstaande redenering is mijns inziens niet juist. Op grond van art. 2:404 lid 2 BW blijft de moedermaatschappij na de intrekking van de 403-verklaring aansprakelijk voor de schulden die voortvloeien uit de rechtshandelingen die de 403-maatschappij heeft verricht tot het moment dat de moedermaatschappij tegenover de crediteur een beroep kan doen op de intrekking.4 Aangezien de rechtshandeling waaruit de desbetreffende schuld van de 403-maatschappij is voortgevloeid, is verricht voor de intrekking van de 403-verklaring, blijft de moedermaatschappij hiervoor aansprakelijk. Dat de crediteur zijn vordering op de 403-maatschappij heeft gecedeerd aan een derde doet daar niet aan af. Na de cessie kan de cessionaris onverminderd een beroep doen op de (ingetrokken) 403-verklaring en heeft hij uit dien hoofde een vordering op de moedermaatschappij. Mocht de moedermaatschappij voornemens zijn om de overblijvende aansprakelijkheid na de intrekking van de 403-verklaring te beëindigen, dan kan de cessionaris hiertegen in verzet komen en heeft hij onder omstandigheden recht op een vervangende waarborg voor de voldoening van zijn vordering op de 403-maatschappij.5