Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.5.2.3
5.5.2.3 Regeling van de gevolgen
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS461976:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
OK 22 januari 1981, rekestnr. 23/80 OK (Landgoed Huys Sevenaer). Zie tekstnummer 142.
OK 11 januari 1990,NJ 1991, 548 (Joh. Friesendorp, m.nt. Maeijer). Zie tekstnummer 149.
Zie voor deze en andere voorbeelden de paragrafen 5.3.1.3 en 5.3.2.2.
HR 4 november 1987,NJ 1988, 578, r.o. 3.3 (Van den Berg I, m.nt. Maeijer); HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.7.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
OK 28 december 2006,ARO 2007, 6, r.o. 3.15 (Koninklijke Begemann Groep).
OK 19 april 2007,ARO 2007, 72, r.o. 3.1 (Koninklijke Begemann Groep).
OK 23 mei 2003,ARO 2003, 88, r.o. 3.9 (Duo Staal). De OK is verzocht de door haar te benoemen bestuurder op te dragen te onderzoeken of en in hoeverre het mogelijk is om de in 1997 en 1999 gedane pensioenstortingen te doen terugbetalen dan wel terugstorten dan wel op enige andere wijze ten behoeve van de vennootschap ter zake genoegdoening te verkrijgen, en of en in hoeverre het mogelijk is de arbeidsverhouding tussen de vennootschap en bestuurder [L] te beëindigen en daartoe de nodige maatregelen te nemen.
Huizink (Rechtspersonen), art. 2: 129, aant. 14; Sanders & Westbroek/Buijn & Storm 2005, p. 165 en p. 332.
165. De omstandigheid dat art. 2: 356 BW een limitatieve opsomming bevat van mogelijk te treffen voorzieningen, weerhoudt de Ondernemingskamer er niet van zich (in soms vergaande mate) in te laten met de verdere gang van zaken binnen de vennootschap. Zij maakt hiertoe dankbaar gebruik van de in art. 2: 357 lid 2 BW vervatte bevoegdheid de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen te regelen. Het meest in het oog springen de beschikkingen inzake Landgoed Huys Sevenaer1en Joh. Friesendorp2, waarin de benoemde bestuurder respectievelijk commissarissen tot in detail worden geïnstrueerd. Interessante voorbeelden vormen voorts de uitspraken waarin zij de door haar benoemde bestuurders de opdracht geeft te onderzoeken in welke omvang het wanbeleid benadeling van de vennootschap tot gevolg heeft gehad en op welke wijze de geleden schade kan worden verhaald of ongedaan kan worden gemaakt, te bezien in hoeverre aanleiding bestaat de ten laste van de vennootschap gebrachte kosten van een aantal gevoerde civiele procedures op de geschorste bestuurder te verhalen en de restitutie te bewerkstelligen van niet gerechtvaardigde onttrekkingen als in het onderzoeksverslag vermeld.3 Hoewel onzeker is of deze praktijk overeenstemt met de gedachten die de minister destijds voor ogen hebben gestaan bij de introductie van (de voorloper van) art. 2: 357 lid 2 BW, strookt zij met de overwegingen van de Hoge Raad inVan den Berg I en Text Lite Holding dat de Ondernemingskamer in de art. 2: 356 en 2: 357 BW ruime bevoegdheden zijn verschaft, niet alleen om het wanbeleid te beëindigen, maar ook om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken.4 Uit de beschikking betreffende Koninklijke Begemann (een uitspraak uit de eerste fase van de procedure) blijkt overigens dat de Ondernemingskamer zelf van oordeel is dat handelingen als hierboven beschreven, behoren tot de normale bestuurstaak. Ik doel op overweging dat de bij wijze van onmiddellijke voorziening benoemde bestuurder en commissaris ‘niet meer, maar ook niet minder bevoegdheden (rechten en verplichtingen) toekomen dan zodanige functionarissen uit hoofde van de wet en – behoudens een andersluidende beslissing daaromtrent van de Ondernemingskamer – de statuten van de vennootschap rechtens hebben. Daartoe behoren, reeds in het algemeen doch naar het voorkomt in deze zaak – gelet op de hier aan de orde zijnde omstandigheden – in het bijzonder, het zich (doen) informeren omtrent door of namens Begemann verrichte (rechts)handelingen en genomen besluiten en het desgeraden in rechte aantasten van die (rechts)handelingen en besluiten. In zoverre is het kennelijk door [S] gewraakte onderdeel van rechtsoverweging 3.15 van de hiervoor genoemde beschikking5 dan ook ten overvloede gegeven en bevat het niet zozeer een opdracht aan de (toen nog: ) te benoemen functionarissen, doch veeleer een hen ten dienste staande mogelijkheid waarop – in het licht van de bescherming dan wel consolidatie van de belangen van de (minderheids)aandeelhouders – voor alle duidelijkheid expliciet is gewezen.’6 Des te opmerkelijk is dan ook haar overweging in de beschikking inzake Duo Staal‘dat zich wat betreft het geven van instructies aan de te benoemen bestuurder de vraag laat stellen of art. 2: 356 BW hiertoe de ruimte biedt.’7
Aandacht verdienen ten slotte de beschikkingen waarin de Ondernemingskamer aan de door haar benoemde bestuurder of commissaris een beslissende stem toekent in het bestuur voor het geval de stemmen van (bei)de bestuurders staken. Hoewel art. 2: 339 BW op dit punt zwijgt, wordt in de literatuur8aangenomen dat in de statuten kan worden bepaald dat een ander vennootschapsorgaan dan wel een bepaalde bestuurder de beslissing mag nemen, waaraan wat betreft de laatste variant wel wordt toegevoegd dat een voorwaarde is dat deze bestuurder alleen minder stemmen heeft dan alle andere bestuurders tezamen.