Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/81:81 De Bewijsverordening heeft geen exclusieve werking
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/81
81 De Bewijsverordening heeft geen exclusieve werking
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS452196:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3048, NJ 2011, 155 (Lippens c.s./Kortekaas I).
De Hoge Raad beargumenteert dit standpunt met een beroep op de tekst en de considerans van de Bewijsverordening (r.o. 3.4.4-3.4.5).
HvJ EU 6 september 2012, ECLI:NL:XX:2012:BX7408, NJ 2013, 552, m.nt. L. Strikwerda onder NJ 2013, 554 (Lippens c.s./Kortekaas).
HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:36 (Lippens c.s./Kortekaas II).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een tot voor kort nog openstaande vraag was of de Bewijsverordening een exclusieve of faciliterende werking heeft. In de zaak Lippens c.s./Kortekaas1werd enkele dagen na het aanhangig maken van de hoofdzaak bij de rechtbank Utrecht bij diezelfde rechtbank een voorlopig getuigenverhoor verzocht door Kortekaas, de eiser in de hoofdzaak. De rechtbank wees het verzoek toe. Lippens c.s., de gedaagden in de hoofdzaak, verzochten daarop een rogatoire commissie om Lippens c.s. als getuigen te doen horen in het land van hun woonplaats (België) en door een Franstalige rechter. Zowel hof als rechtbank wees het verzoek af. In cassatie lag de vraag voor of de rechter, als hij heeft besloten tot het horen van een in een andere lidstaat wonende getuige, alleen gebruik mag maken van de in de Bewijsverordening genoemde manieren van bewijsverkrijging of ook de in het nationale recht van de rechter voorziene mogelijkheden tot bewijsverkrijging mag benutten. De Hoge Raad besloot deze vraag als prejudiciële vraag aan het HvJ EG te stellen, maar nam in r.o. 3.4.3 een voorschot op het antwoord:
“De Hoge Raad is vooralsnog van oordeel dat de vraag aldus moet worden beantwoord dat de rechter die een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen voor deze vorm van bewijsverkrijging geen gebruik behoeft te maken van de door de EG-Bewijsverordening in het leven geroepen methoden, maar bevoegd is gebruik te maken van de methoden voorzien in zijn eigen nationale procesrecht, en aldus de getuige kan doen oproepen voor hem te verschijnen, met als eventueel gevolg dat bij niet-verschijning van de getuige daaraan de consequenties worden verbonden die zijn toegestaan door het nationale procesrecht van deze rechter.”2
Een kleine anderhalf jaar later gaf het HvJ EU aan dezelfde mening als de Hoge Raad te zijn toegedaan:
“Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en met name artikel 1, lid 1, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het bevoegde gerecht van een lidstaat dat een in een andere lidstaat woonachtige partij als getuige wenst te horen, teneinde dat verhoor te verrichten deze partij mag oproepen voor hem te verschijnen en haar mag horen overeenkomstig het recht van de lidstaat van dat gerecht.”3
In zijn vervolgbeslissing ging de Hoge Raad nog in op het beroep van Lippens c.s. op art. 6 EVRM.4 In hoger beroep was door het hof benadrukt dat juist het beginsel van fair trial pleit voor het horen van alle getuigen in de bodemprocedure door dezelfde rechter volgens dezelfde regels. Lippens c.s. klaagden vooral over het gebruik van de Nederlandse taal tijdens het verhoor, maar dit probleem zou volgens het hof eenvoudig te verhelpen zijn door het meenemen van een tolk. De verwerping van het beroep op art. 6 EVRM, omdat de concrete bezwaren tegen een verhoor door de Nederlandse rechter van onvoldoende gewicht werden geacht door het hof, getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting en was toereikend gemotiveerd.