Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/1.1
1.1 Inleiding
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631717:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het Nederlandse recht is tot uitgangspunt genomen. Alleen de (overigens beperkte) verschillen met het recht van Curaçao (en daarmee van Aruba, Sint Maarten en de BES-eilanden) worden vermeld.
Er is geen onderzoek verricht naar de vraag wanneer het begrip quasi-bestuurder voor het eerst werd gebruikt. Het is in ieder geval geen nieuw begrip. Zie bijvoorbeeld De Boode (1997), p. 349. Hanegraaf (2017), p. 103 verwijst onder andere naar een publicatie van Akkermans uit 1987, waarin dit begrip ook wordt gebruikt.
Zie par. 3.4; Schutte-Veenstra (2017); Rechtspraakbundel (2020), nrs. 10, 15, 16, 24, 28, 29 en 30; en Van Nuland (2021) passim.
Zie Frielink, Van Eersel en Van der Wulp (2020), nr. 7.4.
Zie bijvoorbeeld Rb Den Bosch 10 juni 2009, ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7149 (Stichting Historisch Materieel/NOVM); Rb Den Haag 21 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:5101 (Stichting Haags Filmhuis); en Rb Midden-Nederland 22 december 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:6470 (Politieke partij).
Vgl. het advies van de Curaçaose corporate governance autoriteit Stichting Bureau Toezicht en Normering Overheidsentiteiten d.d. 15 januari 2018 inzake Fundashon pa Inovashon di Enseñansa na Korsou (te vinden op http://www.sbtno.org/): “De voornoemde personen zijn derhalve sinds het verstrijken van hun zittingstermijn geen bestuursleden meer en niet meer bevoegd FIDE te vertegenwoordigen noch bevoegd om deel te nemen aan het besluitvormingsproces van het bestuur van de stichting. Ten gevolge van het voorgaande zijn de rechtshandelingen van voornoemde personen die zij als bestuurder na hun zittingstermijn hebben verricht niet in overeenstemming met de wet- en regelgeving gedaan en daardoor nietig dan wel vernietigbaar. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat het bestuur van FIDE sinds 1 juli 2015 geen rechtsgeldige besluiten meer heeft kunnen nemen.”
Een benoemingsbesluit kan nietig dan wel vernietigbaar zijn. Vgl. Rb Midden-Nederland 15 september 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4756 (St. Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw).
De gevolgen van gebreken die aan bijvoorbeeld bestuursbesluiten kleven als gevolg van het feit dat een bestuurder achteraf niet rechtsgeldig benoemd blijkt te zijn en op welke wijze eventueel ‘reparatie’ mogelijk is, vallen buiten het kader van het onderzoek.
Zie ook Frielink (2018). In dit artikel is de indeling in categorieën met de nodige toelichting voor het eerst gepresenteerd.
Zie Van Nuland (2021), nr. 4.2.4.3.1.
Buiten het bestek van mijn onderzoek valt de vraag of (en in welke gevallen) een toezichthouder die onvoldoende toezicht heeft uitgeoefend, als gevolg waarvan een quasi-bestuurder schade kan toebrengen aan de rechtspersoon of aan derden, daarvoor aansprakelijk zou kunnen worden gesteld. Het antwoord op die vraag hangt naast de voorzienbaarheid, mede af van de vraag of voor de toezichthouder de mogelijkheid heeft bestaan om in te grijpen. Evenmin wordt hier de vraag beantwoord of bij tekortschietend toezicht sprake zou kunnen zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van art. 6:102 BW. Vgl. Maes (2020), hoofdstuk 2, nr. 5.2.1.
Zie verder Kreileman (2020).
De beschouwingen in dit boek kunnen relevant zijn voor het op dit moment in Suriname geldende recht, maar daar is geen onderzoek naar gedaan.
Het boek is als volgt opgebouwd. Dit hoofdstuk bevat de vraagstelling waarop het onderzoek zich richt, de afbakening van het onderzoek, de verantwoording wat betreft methode en wetenschappelijke criteria, en in de laatste paragraaf een hulpmiddel bij het lezen. In hoofdstuk 2 wordt de huidige stand van zaken wat betreft het besturen van rechtspersonen, bestuurdersaansprakelijkheid en bestuursverplichtingen weergegeven. Dat hoofdstuk is beschrijvend van karakter. Hoofdstuk 3 bevat aan de hand van wetgeving, literatuur en rechtspraak een eerste kennismaking met het fenomeen quasi-bestuurder en is eveneens (in hoofdzaak) beschrijvend van karakter. In hoofdstuk 4 wordt de quasi-bestuurder onderzocht vanuit het rechtssysteem en daaraan ten grondslag liggende beginselen. Hoofdstuk 5 bevat een analyse van enkele afzonderlijke onderwerpen die in relatie tot quasi-bestuurders van belang zijn. In hoofdstuk 6 ten slotte worden de inzichten die in de hoofdstukken 4 en 5 zijn ontwikkeld bij elkaar gebracht.1
Het leerstuk aansprakelijkheid spreekt bij velen tot de verbeelding. Dat geldt evenzeer voor de persoonlijke aansprakelijkheid van bestuurders, commissarissen, aandeelhouders en leden van rechtspersonen. Die aansprakelijkheid is in zoverre bijzonder, dat gekozen is voor een rechtspersoonlijkheid bezittende rechtsvorm met het oog op het – zoveel mogelijk – uitsluiten van de eigen aansprakelijkheid: de ondernemer die een eenmanszaak drijft is met zijn gehele vermogen aansprakelijk voor alle verbintenissen van die eenmanszaak, terwijl de ondernemer die dezelfde activiteiten verricht vanuit bijvoorbeeld een besloten vennootschap (in beginsel) niet persoonlijk aansprakelijk is.
Een bijzondere positie in dit verband wordt ingenomen door de quasi-bestuurders:2 de feitelijke bestuurders en de schaduwbestuurders. Reeds deze verschillende benamingen geven aan dat niet alle quasi-bestuurders over één kam kunnen worden geschoren. Er zijn quasi-bestuurders die volkomen te goeder trouw zijn en met de beste intenties handelen, maar evenzeer quasi-bestuurders die zich op de een of andere wijze schuldig maken aan misbruik van het rechtspersonenrecht. Er zijn quasi-bestuurders die zich naar buiten toe als bestuurder presenteren en quasi-bestuurders die enkel achter de schermen (beslissende) invloed uitoefenen.
In het grote geheel van het burgerlijk recht neemt de quasi-bestuurder een heel bescheiden plaats in. Er zijn maar enkele wettelijke bepalingen aan de quasi-bestuurder gewijd. Over de omvang van het fenomeen in de praktijk is mij niets bekend. Als ik afga op de rechtspraak en mijn eigen praktijk is het echter een regelmatig voorkomend verschijnsel. In de rechtspraak zijn tal van gevallen te vinden waarin personen als quasi-bestuurder worden aangemerkt.3 In de wereld van de trustdienstverlening komt het fenomeen quasi-bestuurder veelvuldig voor, namelijk wanneer de cliënt (opdrachtgever; principaal) van het trustkantoor met dat trustkantoor als bestuurder van de cliëntentiteit vergaande, inhoudelijke afspraken heeft gemaakt over de wijze waarop invulling aan de bestuurstaak wordt gegeven.4 Het komt verder geregeld voor dat bestuurders (of commissarissen) als zodanig blijven functioneren ondanks dat hun benoemingstermijn is verstreken,5 ook in Curaçao,6 of dat er aan het benoemingsbesluit van een bestuurder gebreken kleven,7 en dat de betrokkene totdat die gebreken aan het licht kwamen, zich volkomen te goeder trouw heeft gedragen als ware hij een rechtsgeldig benoemde statutaire bestuurder. Doorgaans worden dergelijke gebreken geheeld en dienen zich geen aan een rechter voor te leggen geschillen aan.8 Van de zaken die wel aan de rechter worden voorgelegd spreken de zaken waarin een persoon misbruik maakt van zijn (feitelijke of juridische) machtspositie of van het fenomeen rechtspersoon (denk aan stromannen) het meest tot de verbeelding.
De wettelijke bepalingen inzake de quasi-bestuurder stellen enerzijds grenzen en verbinden gevolgen aan een als onwenselijk geachte bemoeizucht wat betreft het besturen van een rechtspersoon. Anderzijds reguleren deze wettelijke regelingen de figuur van de quasi-bestuurder. Voor het (mede)beleidsbepalen zonder statutair bestuurder te zijn kan immers een goede grond bestaan, vergelijkbaar met het geval dat iemand zich willens en wetens en op redelijke grond inlaat met de behartiging van het belang van een ander. Een quasi-bestuurder is dus niet noodzakelijk een foute man of vrouw. De quasi-bestuurder die zijn bestuurstaken naar behoren uitvoert hoeft niet voor persoonlijke aansprakelijkheid te vrezen. Het begrip quasi-bestuurder is dan ook net zo neutraal als het begrip (formele/statutaire) bestuurder.
Als vertrekpunt van deze studie wordt een ruime, algemene omschrijving van het begrip quasi-bestuurder gehanteerd, waarbij de quasi-bestuurders in categorieën kunnen worden ingedeeld:
de persoon die (al dan niet eigenmachtig) handelt of zich (al dan niet eigenmachtig) gedraagt als bestuurder maar géén statutaire bestuurder is (de de facto bestuurder of feitelijke bestuurder);
de persoon die – niet zijnde een statutaire bestuurder – zodanige invloed op het statutaire bestuur (of één of meer statutaire bestuurders) uitoefent dat (de meerderheid in) het bestuur zich gedwongen voelt te handelen overeenkomstig diens wensen of instructies (de feitelijke schaduwbestuurder);
de persoon die – niet zijnde een statutaire bestuurder – met het statutaire bestuur (of een meerderheid van de bestuurders) heeft afgesproken dat zijn wensen (in beginsel) zullen worden uitgevoerd (de formele schaduwbestuurder); en
de persoon die – niet zijnde een statutaire bestuurder – met (het statutaire bestuur van) een rechtspersoon is overeengekomen dat hij een (groot) aantal bestuurstaken (zelfstandig) zal uitvoeren (de titulaire quasi-bestuurder).
Het gaat hier om de grondvormen waarin het fenomeen quasi-bestuurder zich manifesteert. Bij het maken van de indeling is gekeken naar de wijze waarop een persoon quasi-bestuurder kan worden: gaat hij zelf op de stoel van het formele bestuur zitten, zijn er afspraken gemaakt over zijn bemoeienis met het bestuur, of dwingt hij het bestuur tot een bepaald doen en/of nalaten? De indeling staat los van de vraag hoe het handelen van deze persoon inhoudelijk moet worden beoordeeld en of mogelijk sprake is van schade en aansprakelijkheid. Deze omschrijving en indeling,9 die in hoofdstuk 3 nader zal worden besproken, is een werkbare basis gebleken om tot een afbakening van het onderzoeksonderwerp te komen. In par. 1.5 werk ik de indeling nog iets verder uit, als hulpmiddel bij het lezen van dit boek, en worden per categorie enkele voorbeelden gegeven.
Naast quasi-bestuurders kunnen er ook quasi-commissarissen zijn. De quasi-commissarissen kunnen in drie categorieën worden ingedeeld:
de persoon die eigenmachtig handelt of zich gedraagt als commissaris maar géén statutaire commissaris is (de de facto commissaris of feitelijke commissaris);10
de persoon die – niet zijnde een statutaire commissaris – zodanige invloed op het statutaire toezichtsorgaan (of één of meer statutaire toezichthouders) uitoefent dat (de meerderheid in) het toezichtsorgaan zich gedwongen voelt te handelen overeenkomstig diens wensen of instructies (de feitelijke schaduwcommissaris); en
de persoon die – niet zijnde een statutaire commissaris – met het statutaire toezichtsorgaan (of een meerderheid van de commissarissen) heeft afgesproken dat zijn wensen (in beginsel) zullen worden uitgevoerd (de formele schaduwcommissaris).
De titulaire commissaris (de persoon die – niet zijnde een statutaire commissaris – met de rechtspersoon heeft afgesproken dat hij toezicht zal uitoefenen vergelijkbaar met het door commissarissen uit te oefenen toezicht) ontbreekt in dit overzicht. Het fenomeen zou op zich kunnen bestaan, maar ik ben de titulaire commissaris niet in rechtspraak en literatuur tegengekomen, en zal er verder dan ook geen aandacht aan besteden. Er wordt in hoofdzaak over de commissaris gesproken, maar daaronder dienen de leden van toezichtsorganen met een andere benaming te worden begrepen. De quasi-commissaris staat niet centraal in dit onderzoek, maar vertoont wel gelijkenissen met de quasi-bestuurder en komt daarom op diverse plaatsen aan de orde.11
Verder kan nog worden gedacht aan de niet-uitvoerend bestuurder in een monistisch bestuursmodel. De niet-uitvoerend bestuurder is een formele bestuurder, zij het met ook een toezichthoudende taak.12 Gedraagt hij zich als een uitvoerend bestuurder dan wordt zijn doen en laten beoordeeld op gelijke wijze als andere statutaire bestuurders die hun bevoegdheden hebben overschreden. Overschrijding van zijn bevoegdheden maakt hem geen quasi-bestuurder in de door mij gehanteerde zin van dit begrip.
Het onderzoek heeft betrekking op quasi-bestuurders. Uiteraard kunnen ook vereffenaars van een ontbonden rechtspersoon geconfronteerd worden met een persoon die, zonder dat hij over enige relevante bevoegdheid beschikt, tracht op dwingende wijze instructiemacht uit te oefenen of die feitelijk op de stoel van de vereffenaar gaat zitten. Een dergelijke quasi-vereffenaar loopt een met een formele vereffenaar vergelijkbaar aansprakelijkheidsrisico. Hieraan zal verder geen aandacht worden besteed.
In Boek 2 BW komt het begrip ‘quasi-bestuurder’ niet voor. Wel bevat dit wetboek bepalingen op grond waarvan quasi-bestuurders aansprakelijk kunnen zijn als ware zij een statutaire bestuurder en op wie verplichtingen kunnen rusten als ware zij een statutaire bestuurder. In dat verband wordt in de betreffende wettelijke bepalingen gesproken over personen die het beleid bepalen of medebepalen als ware zij bestuurder.
In deze studie gaat het om de quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht. In de rechtspraak komt deze persoon veelvuldig voor en deze wordt ook in de literatuur besproken. Daaruit komt weliswaar een rijke casuïstiek naar boven, maar die roept tegelijkertijd allerlei vragen op. Uitgangspunt is het Nederlandse recht vanwege de hoeveelheid beschikbare literatuur en rechtspraak. Nederland en Curaçao kennen beide een omvangrijke trustsector, op zichzelf al een reden om ook aandacht aan het recht in Curaçao te besteden. Waar opvallende verschillen bestaan met de Caribische delen van het Koninkrijk zullen die, onder verwijzing naar het Burgerlijk Wetboek van Curaçao (BWC), kort worden besproken. Dit houdt tevens in dat waar geen verschillen bestaan, de analyses in dit boek ook relevant zijn voor Aruba, Bonaire, Curaçao, Sint Maarten, Sint Eustatius en Saba. Aan dit rijtje kan Suriname worden toegevoegd vanaf het moment dat Boek 2 BW daar is ingevoerd.13